Week 4: IJsbaan! Schaatsen! Sleetje...! Ik ril al bij de gedachte

Week 4: IJSBAAN! SCHAATSEN! SLEETJE…! IK RIL AL BIJ DE GEDACHTE

1

Lees het onderstaande verhaal door, misschien ook een keer hardop.

IJspret

Er gaat een zindering door de klas op die koude woensdagochtend in januari 1948. Het sneeuwt! Dikke vlokken dwarrelen door de lucht. Sommige blijven als piepkleine plukjes watten op het raam kleven. De klas kijkt ernaar en de som van de zuster over een heer die van A naar B loopt is opeens nóg minder interessant. ‘Misschien kunnen we vanmiddag met het sleetje naar de ijsbaan gaan’, fluistert mijn vriendin Elly in mijn oor. Een naar gevoel bekruipt me. IJsbaan! Schaatsen! Sleetje…! Ik ril al bij de gedachte. Ik zal er niet omheen kunnen, want omdat mijn moeder in het ziekenhuis ligt, logeer ik bij Elly en moet ik mij aanpassen aan alle activiteiten van het gezin.

Het lot is mij niet gunstig gezind, het blijft sneeuwen. Op weg naar huis worden al de nodige sneeuwballen gegooid. Rillend van de kou doe ik mee, zodat mijn handschoenen doornat zijn als ik thuis kom. Geen nood, ik leg ze wel even op de kachel. Een doordringende schroeilucht uit de keuken herinnert mij er een half uur later weer aan. Twee grote bruine gaten in mijn nieuwe gele wanten!

Na het eten bereiden we ons voor op de ‘ijspret’. Een extra trui en extra sokken en de ceremonie van de schaatsen. Omdat in onze familie nooit geschaatst wordt, krijg ik de oude, te klein geworden schaatsen van Elly. Als een volleerd schaatser hang ik de koude ijzers om mijn nek.

We verzamelen ons voor het huis van Elly, en daar gaan we, op weg richting stadion. Wij zijn net ‘Zwaan, kleef aan’, en voor wij op de ijsbaan arriveren is het gezelschap aangegroeid tot een hele meute. Aan de rand van het ijs binden we onze schaatsen onder. Een peulenschilletje voor de meesten, enthousiast zwieren ze weg, het ijs op.

Ik ben bij de laatsten, mijn ijskoude blauwe vingers krijgen de schaatsen nauwelijks vastgebonden en als het karwei met behulp van een lief, ouder buurmeisje geklaard is, sta ik wankel op twee ijzers. Maar niet voor lang. Al spoedig vormen mijn benen een spagaat op het ijs. Met de moed der wanhoop krabbel ik weer op. Enkele voorzichtige uithalen en ik lig weer. Mijn vriendinnen zwieren langs me heen, alleen, met z’n tweeën of in een vrolijke rij achter elkaar. De geur vanuit een kraampje opzij van mij doet me snakken naar zoiets heerlijks als warme chocolademelk, maar dit genoegen is niet voor mij weggelegd. Geld heb ik nooit bij me. Van buiten en van binnen voel ik me koud en alleen.

Van het ene ogenblik op het andere neem ik een dapper besluit: ik ga hier weg. Ik verlos mezelf van de te kleine schaatsen. Ik wikkel de lange linten om de ijzers en hang ze niet eens meer eens om mijn nek maar klem ze onder mijn arm. Dan begin ik te lopen, helemaal alleen over de bevroren paadjes door de besneeuwde weiden. De eerste huizen, gezellig verlicht, doemen op. Ik zet het op een lopen. Buiten adem arriveer ik op mijn logeeradres.

‘Waar de anderen zijn?’ Op het ijs natuurlijk! ‘En jij dan?’ En dan barst ik in een onbedaarlijk snikken uit. Alle opgekropte ellende stroomt naar buiten: mijn zieke moeder, de kou, de onmacht en de eenzaamheid. Ik word naar de warme gezellige keuken gebracht. Daar krijg ik dan toch mijn chocolademelk, met een geurig kaneelbeschuitje. Even later zit ik als een spinnende poes met mijn ijskoude voeten in lekkere warme pantoffels mijn beide handen te warmen rondom de beker chocolademelk. Het geluid van de snorrende roodgloeiende kachel en de spanning van het ‘kwartjesboek’ uit de bibliotheek verhogen mijn gevoel van geborgenheid. Dit is voor mij de fijnste wintervreugde. Ik gun de anderen hun ijspret.

Ik houd nog steeds niet van koude winters. En nog beleef ik de fijnste wintervreugde naast de warme kachel.

Ria Vernooij

2

Neem een groot blad papier zonder lijntjes. Schrijf in het midden van het blad het woord winter. Omcirkel het woord. Vanuit dat middelpunt, het thema winter, trek je vervolgens een aantal lijnen naar buiten toe, als getekende stralen van een zon. Die lijnen kunnen pijlen worden en ze verwijzen naar nieuwe woorden en begrippen die bij je opkomen naar aanleiding van de winters in je eigen leven. Welke herinneringen heb je aan de winter? Wat betekent winter voor jou? Heb je ooit geschaatst? Gesleed? Hou je van sneeuw en ijspret? Hou je van de vrieskou? Welke beelden en associaties komen er bij je op? Welke geuren, smaken? Welke geluiden? Welke gevoelens? Welke verhalen en concrete herinneringen?

Als je een woord hebt, omcirkel je dat woord, en als zich meer woorden of beelden en herinneringen aandienen, maak je een woordenketting. Elke woord omcirkel je en de ketting is door middel van strepen of pijlen met elkaar verbonden.

Elke nieuwe herinnering of gedachten aan de winter schrijf je op, beginnend vanuit het kernbegrip winter in het midden van het blad. Na verloop van tijd heb je een aantal associatielijnen, ideeënkettingen. Langzaam maar zeker ontstaat een soort van spinnenweb van associaties en gedachten rond de winter (een cluster). Woorden leiden weer naar nieuwe woorden en het web kan zich ontvouwen tot een groot associatienetwerk. Je hoeft je niet te concentreren op één gedachte, je kunt je eenvoudigweg laten drijven op de stroom van wat zich aandient. Denk vooral niet krampachtig na maar probeer te zoeken en vinden, te zien en te vangen, probeer de herinneringen voorbij te laten komen. Hoe minder krampachtig je denkt, des te gemakkelijker komen ze, bijna achteloos verschijnen ze. Associaties komen kriskras door elkaar, zonder orde, er is geen duidelijke structuur, er is geen goed of fout, allerlei herinneringen, beelden, geuren, kleuren, smaken, gedachten en geluiden kunnen in woorden gevat worden.

Je schrijft nog geen verhaal, je verzamelt alleen maar herinneringen en flarden van herinneringen. Stel je voor dat je als een verbaasd kind kijkt naar je eigen winterherinneringen, zonder waarde-oordelen. Je hoeft ze niet te beoordelen, alles kan komen, niemand beoordeelt het, niemand heeft inzage.

3

Als je ideeënvloed stopt en er even geen associaties komen, rust je even en je kijkt naar je netwerk. Misschien komen er nieuwe herinneringen op, en misschien weet je na verloop van tijd ineens: daarover, over die ene herinnering wil ik graag verder schrijven.

Als je meerdere verhaallijnen hebt, dan kies je er eenvoudigweg één uit.

Je begint nu te schrijven over je winterherinnering. De woorden uit het cluster helpen je op weg. Schrijf 10 minuten lang en niet meer dan driekwart bladzijde. Bij het schrijven kun je heen en weer gaan tussen je woordennet, je associaties in je eigen vlechtwerk en je geordende, logische denken. Je gaat heen en weer tussen associaties en schrijftaal, heen en weer tussen beeld en ordening, heen en weer tussen cluster en schrijven. Uit het cluster gebruik je alleen wat je wilt gebruiken, de rest laat je los.

4

Dan kijk je nog eens terug naar je tekst en je maakt er een geheel van met een begin en een einde. Je kunt een verhaal heel goed beëindigen door nog even terug te gaan naar een gedachte bij het begin of door een zinsnede te herhalen.

5

Lees nu je tekst hardop voor. Dat kan ook goed in een kleine groep, dan lees je de verhalen aan elkaar voor. Luister vooral ook naar je eigen verhaal. Door het te horen, merk je waar het nog stokt, wat nog niet logisch verteld is en waar je nog informatie moet toevoegen of weglaten. Soms komen er tijdens het hardop lezen ook nog nieuwe flarden van je herinnering boven en die kun je gebruiken om het verhaal te vervolmaken.

6

Andere mogelijkheden ter verkenning en beschrijving van de winterherinneringen:

Beschrijf in één regel een winterbeeld uit je levensverhaal: welke plaatjes horen er bij jouw winters van vroeger? Zoek foto’s of plaatjes bij jouw winterherinneringen. Beschrijf de geluiden uit je winters van vroeger. Beschrijf de geuren van je winterherinneringen. Beschrijf wintersmaken, wintermaaltijden.

Beschrijf de kleuren van de winters in je leven. Heb je donkere winters in herinnering en lichte winters? Helder gekleurde of felgekleurde? Welke kleuren hebben jouw winters?

Beschrijf de gevoelens bij de winters uit je herinnering. Heb je vrolijke winterherinneringen, hilarische verhalen, droevige winterverhalen, weemoedige winteravonden, gezellige kneuterherinneringen? Welke sferen horen er bij jouw winters van vroeger?

Wat zijn de details van jouw winters? Beschrijf één of twee winterherinneringen aan de hand van vijf details.

7

Voor meer inspiratie:

Wanneer de winter op zijn hoogtepunt is, kun je alleen nog vermoeden, dat de weg er ligt. De ijzige oostenwind, die de kou uit de Russische steppen meebrengt, heeft de sneeuw over de weg gewaaid, hoger en hoger. Zo verdwijnt de weg en daarmee het zand, de wagensporen en de afdrukken van paardenhoeven. Bevroren is de herinnering aan de zomer. De wereld is wit geworden, stralend wit, wanneer de zon aan de strakblauwe hemel schijnt. Bij elke stap kraakt de sneeuw onder je voeten. Het meer is dichtgevroren. Het ijs is zo dik, dat het de spanning niet meer verdraagt en ’s nachts met het geluid van kanonschoten scheurt. De bomen van het bos achter het erf steken donker en kaal af bij de witheid die over de velden ligt. Alleen op de takken van de dennenbomen ligt een deken van sneeuw. Ze dragen de belofte van kerstmis in zich. Ook op het dak van het huis ligt dik en warm de sneeuw. Uit de schoorsteen stijgt de rook steil omhoog. Het ruikt naar het hout, dat brandt in de grote tegelkachel in de hoek van de kamer. Over die kachel, de warmte die hij uitstraalt, het flakkerende vuur achter het deurtje en de geur van gebakken appels, zou ik een lied willen zingen van heimwee en verlangen.

Irmgard Brose

Een heuglijke jaarwisseling

Oudjaar was bij ons thuis altijd een heel speciale dag. De enige dag dat het restaurant na acht uur ’s avonds gesloten was. Het meest bijzondere was, dat mijn vader oudejaarsavond ‘boven’ bleef en spelletjes meespeelde. De rest van het jaar vertrok hij na het diner naar beneden tot middernacht. Oudjaar viel in 1961 op zondag. ’ s Morgens bleken de ramen bedekt met ijsbloemen, zo dik dat ik niet naar buiten kon kijken. Wat ik wel kon zien, was dat het flink gesneeuwd had. We zouden naar de late mis gaan, zodat Joost, 10 maanden, van tevoren verzorgd kon worden.

Het sneeuwde nog steeds, toen we naar de kerk wandelden. In de binnenstad was het onwezenlijk stil. De dienst in de barokke kerk, waar ik was gedoopt en getrouwd, was heel vertrouwd. Ik realiseerde me, dat ik me in de donkere moderne en kale kerk in Hoensbroek niet thuis voelde. We keerden terug met natte voeten. We hadden niet op sneeuw gerekend. Joost werd op de slee meegenomen voor een rondje op de Grote Markt. Uit het raam konden we zien, dat hij genoot van zijn eerste sneeuw.

Voor ons gezin stonden er traditiegetrouw schalen met oliebollen, appelbeignets en appelflappen klaar in hoeveelheden, die niet te verwerken waren. Zoals altijd werd wat overbleef uitgedeeld aan de agenten, die surveilleerden in de omgeving van de Grote Markt. Deze jaarwisseling gebeurde dat in een wit decor. Nog steeds viel de sneeuw in dikke, stille vlokken naar beneden. Het was bitterkoud. Er was geen verkeer. Het plein lag er ongerept bij in het licht van de straatlantaarns, de toren van de oude Sint-Bavo leek er tevreden op neer te kijken vanonder een dikke oplichtende witte ijsmuts.

Tegen middernacht werd het souper opgehaald uit de ‘grote’ keuken, de keuken van het restaurant. De flessen champagne stonden klaar om ontkurkt te worden, zodra we het nieuwe jaar hadden ingebeden. Daarna begonnen de omhelzingen en dronken we elkaar toe. Vader werd ouderwets gezellig van de champagne. Oudjaar was de enige avond, waarop hij zichzelf een glas teveel toestond. De overstap in het nieuwe jaar verliep precies zoals ik had gedacht én gehoopt. Een warm begin van 1962.

Josephine Dubois

Heel wat mensen konden op zo’n ijskoude wintermorgen een uurtje langer in bed blijven. Dat gold echter niet voor Toon, de chauffeur, want voor hem was er extra werk aan de winkel en daarom was hij vroeger dan normaal op stap. De bezorgroute die hij deze dag ging maken, zou met de gladde wegen en door de kou aanmerkelijk meer tijd vragen. Bovendien moest er heel wat meer voorbereidend werk gedaan worden.

Aangekomen op de zaak was zijn eerste bezigheid het aanmaken van de kachel in de garage. Dit was niet zozeer bedoeld voor de warmte, maar om allereerst een ketel water op te zetten. Hij had heet water nodig voor de radiateur van de vrachtwagen, want ’s winters moest bij vriesweer elke avond het water van de wagen afgelaten worden. Er stond dan een grote plas voor de garagepoort die heel snel bevroor en waardoor het spiegelglad werd. Men kende weliswaar antivries, maar deze was duur en slecht voor de motor, werd beweerd.

Terwijl het water heet werd, ging Toon naar buiten om zand te strooien over de bevroren plek voor de garage. Deze plek werd elke avond groter, en het zand strooien was een gevaarlijk karwei omdat het niet alleen koud en spiegelglad, maar ook pikdonker was. ‘Laat het water toch ergens anders af, niet zo dicht bij de poort’, had zijn baas gezegd, maar Toon wilde geen twintig meter rijden met een radiateur zonder water. ‘Daarvan lijdt de motor nog meer dan van antivries’, had hij eens gekscherend tegen de baas gezegd, die hem er daarna maar niet meer over onderhield.

Terug in de garage was het daar beter dan buiten. Het vroor binnen weliswaar ook, maar bij lange na geen twaalf graden. Het opgezette water was nu warm genoeg om in de radiateur geschud te worden. Dit lukte nadat met enige moeite de toch weer vastgevroren dop ontdooid was. Intussen stond een ketel met daags van te voren afgetapte olie op de kachel warm te worden. Wanneer er geen voorverwarmde olie in het motorcarter zat zou het in deze kou zeker niet lukken de auto aangeslingerd te krijgen. Het was een ervaring die Toon in de loop der jaren had opgedaan.

Ton Terstappen

José Franssen

www.josefranssen.nl