Week 5: Het hangt nu weer stil in de kast

Week 5: HET HANGT NU WEER STIL IN DE KAST

Marie was een aanbiddelijke bruid en alle vrije mannen hadden nu spijt dat ze haar niet hardnekkiger het hof gemaakt hadden. Ze droeg een witte jurk die achter haar over de grond sleepte. Het lijfje, waaronder Marie een opgevulde beha droeg omdat ze geen borsten had, was geborduurd met aronskelken van glanzend witte en beige zijde, de rok alleen met bloembladeren. Haar man was een prins, in zijn witte kostuum en zwarte lakschoenen.

Martha had dagenlang ruzie met Marie gemaakt over dat witte pak: mannen trouwden niet in het wit. Marie had duizend-en-een argumenten waarom ze niet kon trouwen met een man in het zwart. Als zwart de kleur van het einde was, riep ze kwaad, en van de dood en rouw, dan kon dat nooit de kleur zijn om een nieuw leven te beginnen! Ze haalde er alle geloven van de wereld bij waar mannen in het wit of rood trouwen, zelfs de witte begrafenis van prins Hendrik kwam ter spraken, tot Martha niet meer wist wat ze moest antwoorden en mokkend de kleermaker aan het roomkleurige kostuum liet beginnen.

Elle Eggels

1

Stel je voor dat je voor je klerenkast staat. Open de kast: wat zie je in die kast? Heb je veel of weinig kleren? Hangen ze netjes op hangertjes, op kleur en grootte en liggen ze in mooie stapeltjes opgevouwen, of komen de t-shirts je al tegemoet bij het openen van de deur? Welke kleuren zie je? Heb je uitgaanskleding, werkkleding en thuiskleren bijeen hangen en liggen? Hangt er misschien een zweem van parfum in je kast of ruik je mufheid van lang niet gedragen spullen? Van welke materialen zijn je kleren gemaakt? Voel eens aan je kledingstukken: zijn ze zacht en warm, voelt het lekker aan?

Heb je nog meer kasten met kledingstukken? Of heb je een kamer ingericht als kledingkamer met passpiegel en al? Liggen er misschien nog oude kleren op zolder of ergens in een kist of oude koffer?

Als je thuis bent, kun je gerust eens een kijkje gaan nemen in je kledingkasten. Bekijk het allemaal, ruik eraan, bekijk en bevoel je kleding.

2

Maak je een voorstelling van álle kleren die je hebt, en maak nu drie lijstjes met kledingstukken:

 een lijstje met de kleren die je veel draagt: je wast ze en je hebt ze meteen de volgende dag alweer aan;

 een lijstje met de kleren die je weinig draagt: je had ze niet moeten kopen, bij nader inzien voel je je er niet fijn in, ze zijn oud of verouderd, of ze zijn voor speciale gelegenheden;

 een lijstje met kleren die je nooit (meer) draagt maar die je niet weg kunt doen: kleren waaraan je een speciale herinnering hebt, kleren die een heel bijzondere betekenis voor je hebben. Op dit lijstje mogen ook kleren staan die je niet meer hebt, maar die wel belangrijk of bijzonder waren.

Kies nu uit het derde lijstje, het lijstje met de bijzondere kledingstukken, één kledingstuk uit waarover je wilt schrijven. Alle andere kleren hang je weer in de kast en je sluit de deur. Je houdt je dus niet meer bezig met de andere kledingstukken op je lijstjes (je kunt later de oefening nóg een keer maken, als er een blijft dringen).

3

Bekijk je bijzondere kledingstuk nu heel uitgebreid en beschrijf precies hoe het er uit ziet.

Stel je voor dat je het kledingstuk presenteert tijdens een modeshow die je via de radio moet verslaan voor mensen die het kledingstuk niet kunnen zien. Vertel over de lengte, de vorm, het model, de snit en de kleuren. Zeg iets over het materiaal waarvan het gemaakt is en vertel hoe de stof aanvoelt. Hoe valt het kledingstuk: is het zwierig en wijd, zit het strak tegen het lichaam? Beschrijf het kledingstuk vooral via je zintuigen: wat zie je, wat ruik je, wat voel je, wat hoor je? Probeer ook de details van het kledingstuk te benoemen.

Daarna schrijf je alle associaties en herinneringen op die bij je boven komen naar aanleiding van het kledingstuk. Dat kun je doen via een associatiecluster, of met trefwoorden. Maak nog geen zinnen en vertel nog niet het verhaal van het kledingstuk. Verzamel eerst alles wat je weet. Wanneer droeg je het? Waarom was of werd het belangrijk? Wat gebeurde er rond het kledingstuk? In welke situatie was dat? Waar speelde het zich af? Wat betekende het voor jou toen? Wat betekent het nu voor je?

4

Schrijf nu het verhaal van het kledingstuk. Put daarbij uit je associaties onder 3 (zowel waarneming als herinnering). Vertel iets over het kledingstuk zelf, noem speciale details, en beschrijf je herinnering.

In het beschrijven van herinneringen is je waarneming altijd belangrijk. Beschrijven via je zintuigen stimuleert niet alleen je herinneringsproces, het leidt ook tot levendiger, voorstelbare beschrijvingen. Het beschrijven aan de hand van een paar details is daarin veelzeggender dan een opeenstapeling van alles wat je je nog herinnert. Probeer vooral niet volledig te zijn. Kiezen uit een veelheid van zich aandienende gegevens is een belangrijk principe in het schrijfproces. Je hoeft dus niet alle gegevens te gebruiken, en het kan goed zijn, dat zich tijdens het schrijven weer nieuwe facetten van je herinnering aandienen.

5

Lees je verhaal nog eens door (ook hardop) en vul het aan, maak er een begin en een einde aan, zodat het een geheel wordt. Elk verhaal, al is het nog zo klein, heeft een begin, een midden en een einde. Je begint met een inleiding, of je duikt meteen het verhaal in. Dan vertel je het verhaal. En vervolgens brei je er een einde aan, bijvoorbeeld door even terug te komen op het begin, of door een afsluitende opmerking, een gedachte of visie die je nu hebt.

Als je in een groep werkt: lees de verhalen aan elkaar voor en bespreek ze met elkaar. Je kunt daarbij speciaal letten op de beschrijving en de details van het kledingstuk: is het zichtbaar geworden voor de toehoorders, is het een echt kledingstuk geworden dat zij zich kunnen voorstellen? Ook kun je met elkaar bespreken of het verhaal een begin, een midden en een einde heeft. Op basis van het commentaar, en het zelf luisteren naar je eigen tekst, maak je het verhaal af.

6

Wat je nog meer kunt doen:

 Ga naar een modeshow en luister naar het commentaar dat gegeven wordt op kledingstukken. In modetijdschriften vind je ook genoeg materiaal dat je kan inspireren bij het beschrijven van je eigen kleding.

 Schrijf het verhaal van het kledingstuk nóg een keer, maar vertel dan vanuit het perspectief van het kledingstuk zelf: “Ik ben de das van… en…”

 Zoek in romans, autobiografieën en verhalen naar passages waarin kledingstukken een rol spelen. Kijk de kunst af van! Zo vond ik bijvoorbeeld van Linda Grant: De kleren die wij dragen.

Herinneringen in textiel van Karin van der Linden. Expositie Remember me in Museum de Kantfabriek in Horst, voorjaar 2017

7

Voor meer inspiratie:

Het jasje (met bijpassende stropdas)

Vroeger, toen alles nog zwart/wit was in mijn gedachtenwereld, maar ook in de werkelijkheid, kwam het niet in mij op om iets anders te kopen dan kostuums met bijpassende stropdassen. Dat was niets bijzonders in de wereld waarin ik leefde en opgroeide, iedere man deed dat en niets onderscheidde mij van andere mannen. Dat beeld van mij in kostuum is op foto’s vastgelegd, foto’s waar ik met verbazing en ergernis naar kijk. Ze lijken te dateren uit een ander tijdperk.

De ommekeer kwam na de Grote Scheiding in 1978. Vanaf dat jaar werd het ostuum (m.b.s.) voor mij een symbool van gebondenheid en vasthouden aan tradities, aan zwart/wit leven en denken. Mijn leven veranderde drastisch en daar hoorde een jasje (m.b.s.) niet meer bij. Uiteraard spelen bij die veranderingen ook andere gebeurtenissen een rol, maar dat is een heel ander verhaal.

Kortom, jasjes werden taboe en vervangen door vesten en truien, die tot de dag van vandaag favoriet zijn. In de beginjaren na de Grote Scheiding keek ik zelfs met enige minachting naar mannen die maar jasjes (m.b.s.) bleven dragen. Ik vond dat ze hiermee blijk gaven van een statisch levenspatroon. Pas later begreep ik dat ook dat een soort zwart/wit denken was waar ik, zij het met enige moeite, verandering in heb kunnen aanbrengen.

Men vond ook dat ik niet in een trui op recepties kon verschijnen. Ik heb dat jaar in jaar uit wel gedaan, iedereen overleefde het en ik kreeg zelfs waardering voor mijn consequente houding.

Maar zo’n twee jaar geleden vond ik dat er een jasje (m.b.s.) moest komen. Waarom? Ik werd toen zelf het middelpunt van een receptie met een aantal hogere pieten en honderden aanwezigen, waaronder mijn kinderen.

Ik heb dat jasje toen gedragen en kreeg weer datzelfde gevoel als toen: gebonden en onecht.

Het hangt nu weer stil in de kast en wacht tot het weer om mijn schouders mag hangen, in gezelschap van een bijpassende stropdas.

Louis de Graaf

Camilla kocht Duitse modebladen, waarin ook kinderjurkjes stonden, die ze voor mij maakte. Daar was iets mee aan de hand, maar pas toen ik naar de lagere school ging begon ik te begrijpen wat er mis was. De meisjes in het dorp droegen niet dezelfde kleren als Duitse kinderen en ik werd bekeken alsof ik van een ander sterrenstelsel kwam. De kleren van Camilla waren theater, ze vervreemdden me van het schoolplein. (…) Camilla wilde niet naar me luisteren als ik haar vroeg jurken met schorten te maken zoals de andere meisjes die droegen. Ze deed alsof ze niet hoorde dat ik mouwen wilde die langer waren omdat niemand op school mouwen tot de elleboog droeg en bleef jurkjes maken zonder strikken, terwijl al mijn klasgenoten hun jurk op de rug strak bonden met een brede of smalle strikceintuur.

Elle Eggels

Die dag had ik alleen mezelf gezien.

Mijn zwartvilten hoed, de vlechten met rode strikjes er onderuit, het mahoniekleurige Indiase hemd, geleend van mijn vier jaar oudere zus, met de geborduurde zomen met gouddruk tot halverwege mijn nog tengere naakte dijen, mijn blote voeten op het grasveld, dapper tussen peuken en glasscherven door. Zelfs de popmuziek die zich via versterkers door de vele luidsprekers over het grote park joeg, hoorde ik niet.

Muziek interesseerde mij nog niet. Ik was veertien.

Marion Bloem

De bevrijdingsrok

De vijfde oorlogswinter liep ten einde. Evenals de voorgaande vier, was ook deze laatste winter een barre belevenis. Er was veel sneeuw en ijs, maar niemand zat op een Elfstedentocht te wachten.

Mijn eigen schoolgebouw, de Rijks HBS, was al een paar jaar eerder gevorderd door Duitse troepen; in plaats van kinderen liepen er nu kippen en varkens rond. Wij moesten het schoolgebouw van de Gemeente HBS delen met haar eigen leerlingen. Verwarming was er niet meer en tenslotte ook geen licht. Toen begin januari weer een strenge, koude winter begon, werden wij naar huis gestuurd. Thuis hadden we af en toe licht van een ‘drijvertje’, een glas, gevuld met water en een heel dun laagje kostbare lijnolie: daarop dreef een lucifer waaraan een katoenen draadje was geknoopt, sputterend gaf het een heel klein beetje licht.

Maar nu werd het toch echt lente met licht en warme zonnestralen. De mensen kregen weer hoop. Via clandestiene radio- en mond-tot-mond nieuwsberichten werd duidelijk dat het einde van de oorlog niet meer ver weg was. Men bereidde zich voor op de komst van de bevrijders. Waar de mensen het vandaan haalden weet ik niet, maar alles wat oranje en rood-wit-blauw was, kwam uit de kasten. Ook Margriet-speldjes, ter ere van de prinses die in ballingschap in Ottewa geboren was, ringen en speldjes van dubbeltjes waarop Koningin Wilhelmina stond. Er kwam heel veel ‘Wilhelmina’ tevoorschijn.

Ik had, zoals vele meisjes die laatste oorlogsdagen, een effen donkerblauwe rok vol genaaid met allerlei fleurige lapjes van willekeurige vorm en grootte. De hele winter was ik ermee bezig. De lappenlade was onuitputtelijk en aan elk lapje kleefde wel een herinnering. Tot slot naaide ik ter hoogte van de rechter dij een kwast van gouddraad. Deze was afkomstig van het schouderstuk van een gala-uniform van mijn vader. In de oorlog van 1914-1918 was hij gemobiliseerd geweest en dit stukje galon was het enige overblijfsel uit die tijd. Voor mijn rok was het een finishing touch.

Op mijn verjaardag 5 mei 1945 werd de capitulatie getekend, maar pas op 7 mei reden de lang verwachte Canadese en Engelse troepen vanuit Zeist Utrecht binnen. Waar nu de Berenkuil is, stond ik in mijn feestrok met vele bekenden op de colonne te wachten.

De rok heeft gedanst op een plankier in het Wilhelminapark, in Esplanade, het restaurant van de Schouwburg, dat, zoals vele andere gelegenheden, nu door de Canadese troepen was ingenomen. Waar gedanst werd, waren ik en mijn rok er bij.

Sannie Huijbregsen-van de Werfhorst

In mijn oma’s tijd droeg een vrouw van boven de zeventig iets wat veel weg had van een uniform. Als ze weduwe was droeg ze zwarte of grijze kleding met geen enkele modieuze inslag en zelfs als ze nog wel een man had, werd haar kleding een beetje slonzig en vormeloos, waardoor duidelijk werd dat deze persoon geen moeite meer deed aantrekkelijk voor de dag te komen. De grootmoeder van mijn vaders kant, de oudste van de twee, droeg tot op de dag van haar dood zwarte gewaden die tot op de grond vielen en een klein stijlvol hoedje van zwart fluweel en kant op haar hoofd (…).

(…) Tegenwoordig zou een oudere vrouw er natuurlijk raar uitzien wanneer ze zich als een tiener kleedde, maar ik heb in vergelijking met mijn grootouders een keuzevrijheid waar zij alleen maar van hadden kunnen dromen. Er zijn wel dagen geweest dat ik bij de plaatselijke Morrisons boodschappen ging doen en iets excentrieks aanhad waarvan ik me afvroeg of mensen verbaasd zouden opkijken, maar ik kwam al snel tot de conclusie dat ik waarschijnlijk minstens een bikini zou moeten dragen wilde er ook maar iemand met zijn ogen knipperen.

Diana Athill

José Franssen

www.josefranssen.nl