Week 20: Misschien is dit wel vriendschap

Week 20

MISSCHIEN IS DIT WEL VRIENDSCHAP

1

Ien is van de schommel gevallen. Ze klapte voorover en ze viel met haar gezicht op de betonnen plaats. Haar eerste echte tand eruit. Veel bloed. Ze huilt natuurlijk heel hard. Alle grote mensen bemoeien zich er nu mee en ik blijf beduusd achter. Ik vraag me af of ik iets fout gedaan heb, waardoor ze gevallen is.

Ien is mijn buurmeisje, ze is een jaar ouder dan ik, dus ze weet veel meer, maar ze komt toch altijd met mij spelen. En schommelen, ze gaat net als ik graag hoog. We doen ook wel eens spelletjes als het buiten koud is. Zij is alleen, ze is enigst kind en haar vader en moeder zijn vaak weg. Dan zitten we bij haar in huis helemaal alleen aan de grote tafel en we spelen pim-pam-pet of monopoly met onze eigen regels. Maar als de zon schijnt komt ze bij ons. Dan schommelen we om beurten en we kijken hoe hoog we gaan en hoe sierlijk we onszelf vasthouden en de benen bewegen.

Maar nu ze gevallen is, ben ik erg geschrokken. Wat is er gebeurd? Schrok ze? Zei er iemand iets? Ik weet het niet. Is ze nu kwaad op mij? Of misschien zijn haar vader en moeder wel boos? Zou er nu weer een nieuwe tand groeien? Ik weet het niet, ik weet niet veel over tanden. Ik ben bang dat ze nu mijn vriendin niet meer wil zijn. Want Ien is mijn vriendin.

(…)

Voor het kind dat ik was betekende vriendschap misschien wel: erbij horen. Vriendinnetjes waren speelkameraadjes uit de buurt. Mijn moeder had een uitgesproken voorkeur voor sommige kinderen en met anderen zag ze me liever niet. Toch herinner ik me niet dat ik niet mocht spelen met sommige kinderen, ik nam ze gewoon minder mee naar huis. Bij veel kinderen mocht je trouwens thuis niet spelen.

Ik had altijd wel vriendinnetjes, hoewel de liefde zich onregelmatig manifesteerde en ik als kind al een uitgesproken voorkeur had voor spelen in m’n eentje: ik had lang niet altijd zin om iets met anderen te ondernemen. Ik was vaak niet op straat, ik was bang. Ik weet dat ik uren doorbracht in de schoolbank die bij ons op de plaats stond, schrijvend, tekenend of schooltje spelend met mijn jongere broers en zusjes als ondankbare en snel weglopende leerlingen. Ik was misschien wel te streng.

Ik speelde met Ien, die jarenlang een extra familielid was, maar ik speelde ook met Anita, die woonde in de witte flats aan de Drie Decembersingel. Haar moeder had astma, we mochten daar nooit binnen spelen, dat leek toen logisch. En met José Visser, een paar huizen verderop. Ook was ik heel vaak bij Truus, voorbij het grote grasveld, in de Helmersstraat. Ze kwam uit een groot gezin vol broers en mannen, ik voelde me er altijd onzeker. Zij mocht veel en haar moeder was lief. Er was ook nog een Marja en er waren beslist ook andere kinderen die ik me niet meer herinner. Er zijn trouwens ook kinderen die ik me wel herinner maar die niet thuis horen in dit verhaal.

(…)

Wat was die vriendschap van toen een mengeling van veel, denk ik nu, als ik erop terugkijk. Iedereen beschouwde ons als hartsvriendinnen: waren we niet altijd samen, na school, op middagen en avonden en in weekenden en tijdens de eindeloos lange vakanties? Deelden we niet met elkaar onze kleren, dagboeken en hartsgeheimen, richtten we niet een club op met een heus vignet en toegangsritueel? Bespraken we niet tot in den treuren onze veranderende lichamen, de eerste ongesteldheden en vooral de verliefdheden op zovele onbereikbare idolen, liepen we niet samen te giebelen op de kermis, of op het grote grasveld bij het zwembad, vol verlangen naar het grote leven?

En toch. Ik voelde me altijd de trut en de onnozele. Haar borsten waren groter, en ik haalde het niet in mijn hoofd om zo met mijn heupen te draaien. Zij kuste haar vriendjes bij de flats, drie straten verderop, en ze had massa’s aanbidders die om haar heen fladderden. Ik was jaloers op haar wereldse blik en wilde o zo vaak, dat ik wat meer van die flair had. Ik was de mindere en hoorde bij de schare van bewonderaars en ’s avonds in mijn bed voelde ik me verdrietig en ánders. Nu zie ik alles met een andere blik, maar toen was er vooral dat vele ongemak.

Ik voelde me niet thuis bij haar – het huis was altijd zo schoon en zo leeg als een etalage en ik durfde me er niet te verroeren, zeker niet nadat ik enthousiast in een rumboon gebeten had, boven de pluche bank. Zij hadden rumbonen en ik wist niet wat dat waren, ze waren van een andere stand en steeds opnieuw werd me dat in alle details duidelijk gemaakt.

Ach, was dát alles bijeen een vriendschap? Alle gevoelens leerde ik dáár kennen, ze benoemen pas veel later, en misschien is het wel vriendschap, zo’n vat vol tegenstrijdigheden, waarin je alle hoeken van jezelf leert kennen.

(…)

Ik ben altijd weer bang voor het moederschap van mijn vriendinnen. Alleen al omdat de confrontatie met mijn eigen kinderloosheid zo hevig is en des te moeilijker als een van mijn liefste vriendinnen juist dát meemaakt en ervaart wat er voor mij niet in zit.

Ook deze keer weer heb ik alle moed bijeen moeten rapen om het kleine mensje te gaan zien en om het geluk van mijn vriendin in de ogen te kijken. Hoewel dat ook nogal getemperd wordt door de voortdurende en zo afschuwelijk slopende borstontstekingen.

Maar het is meer dan dat. Waar ik bang voor ben is dat ik de vriendschap verlies aan het moederschap. Hoeveel energie kost het ze niet, de vriendinnen, om voor hun kinderen te zorgen, er te zijn, het huishouden mee draaiende te houden en dan ook nog hun betaalde werk te doen? En hoe zwaar is het dan niet om de vriendschappen te onderhouden?

(…)

Misschien is dit wel vriendschap: een hele dag in de auto zitten, aankomen bij de vrienden en door de open deur naar binnen lopen. We worden verwacht. Het eten is bijna klaar en we schuiven bij aan de tafel die al gedekt is. Silvio heeft snel snel na zijn werk een pasta klaargemaakt, en als we al zijn begonnen komt Esther binnen na een lange werkdag. Niets wijst er op dat we elkaar een klein jaar niet zagen. Het is een dag zoals de dagen zijn, wat kil voor mei. We vertellen, maar niet teveel, want we zijn moe, en morgen is er nog een dag.

José Franssen

2

Denk na over de vriendschappen in jouw leven:

Had je altijd vrienden en vriendinnen?

Hoe lang duurden jouw vriendschappen?

Eindigden je vriendschappen abrupt of geleidelijk?

Heb je levenslange vriendschappen?

In welke periode van je leven had je meer of minder vriendschappen?

Was vriendschap vroeger anders dan nu?

Wat deelde je met je vrienden of vriendinnen? Wat deed je met elkaar?

Heb je meerdere vrienden en/of vriendinnen of vooral één hartsvriend of hartsvriendin?

Je kunt je leven voor deze oefening chronologisch nalopen.

Een hulpmiddel daarbij kan zijn het tekenen van een leeftijdslijn op papier: als je 75 jaar oud bent, teken je een horizontale lijn in het midden van het blad, waarop je 0 tot 75 uitzet. Je maakt dan 7 blokken van 10 jaren en één blok van 5 jaren, die je weer onderverdeelt, zoals een meter is onderverdeeld in decimeters en centimeters. Op die lijn schrijf je de namen van de mensen met wie je in je leven vriendschap beleefde. Je kunt ook aantekenen hoe lang de vriendschappen duurden en er eventueel wat associaties bij schrijven.

Sommige vriendschappen zijn belangrijker dan andere. Misschien zijn er hoogtepunten en dieptepunten in je leven die te maken hebben met vriendschap en verlies van vrienden of vriendinnen. Als je de lijn in het midden van een blad papier tekent, kun je de vriendschappen ook met hun hoogtepunten (horizontaal, bóven de middellijn, die dan een 0-lijn is) of als dieptepunten (ónder de 0-lijn) tekenen. En als je al die hoogtepunten en dieptepunten met elkaar verbindt, heb je een levenslijn getekend voor de aanwezigheid van de vriendschappen in je leven. Via deze oefening blik je dus terug op je héle leven (als je dat wilt).

Als je voorbeelden wilt bekijken, googel dan op Levenslijn maken of kijk op www.sociaalverhaal.nl en www.mwdstudent.wordpress.com .

Je kunt het ook simpeler doen, en dan maak je eenvoudigweg een lijstje van vriendschappen. Of je maakt een cluster rond het thema vriendschap.

3

Kies nu één van je vriendschappen.

Verzamel je herinneringen rond die ene vriendschap.

Misschien heb je nog foto’s van de vriend of vriendin, bekijk ze en schrijf trefwoorden op. Herinner je zoveel mogelijk rond deze ene vriendschap.

Gebruik je zintuigen: wat komt voorbij als je de beelden, geluiden, geuren, smaken en gevoelens rond deze vriendschap terughaalt?

Wat was voor jou belangrijk in deze relatie?

Hoe kijk je terug op deze vriendschap?

Of misschien bestaat de vriendschap nog wel: hoe is de relatie in de loop van de tijd veranderd?

4

Schrijf nu het verhaal van deze vriendschap.

5

In een groep:

Lees aan elkaar de teksten over vriendschap.

6

Wat je nog meer kunt doen:

Schrijf een portret van een van je vrienden of vriendinnen.

Maak een collage waarin je een van je vriendschappen of ‘vriendschap’ verbeeldt. Je kunt een portret maken van een vriend of vriendin, maar je kunt ook vriendschap in het algemeen als uitgangspunt nemen en facetten van vriendschap voor jou in beeld brengen. Gebruik voor je collage niet alleen foto’s of afbeeldingen uit tijdschriften, maar scheur ook met papier uit tijdschriften of gebruik bijzondere papiersoorten voor speciale effecten (bijvoorbeeld calceerpapier, handgeschept papier, crèpepapier, of glanzend cadeaupapier). Je kunt ook figuren knippen met ribbelscharen, tekenen in je collage met viltstiften of krijt, je kunt stempels gebruiken… laat je fantasie het werk doen.

Schrijf dan vervolgens bij je collage een kleine tekst of gedicht.

Schrijf naar aanleiding van je levenslijn over vriendschappen een essay over de betekenis van vriendschap in jouw levensverhaal: wat hebben je vriendschappen je geleerd en gebracht? Wat betekende vroeger vriendschap voor je en wat betekent het nu?

Schrijf een brief aan een van je vrienden of vriendinnen die je niet meer ziet. Vertel hem of haar wat de vriendschap voor jou betekend heeft.

Schrijf een gedicht over vriendschap of over één van je vrienden of vriendinnen.

Lezen: Herwig Arts: De wegen van het hart. Over vriendschap. Davidsfonds, Leuven, 1991

6

Voor meer inspiratie:

Al die jaren was ik haar vergeten. Toch hebben wij vijftien jaar op nog geen twintig meter van elkaar gewoond. (…) en ik liet haar zes jaar lang, dag in dag uit, zomer of winter, regen of zon, van huis naar school en van school naar huis, haar arm over mijn schouder leggen.

(…) En toch, ik dacht nooit na over vriendschap. Het kwam niet in mij op haar mijn vriendin te noemen. Ze was er gewoon elke dag opnieuw, en hoorde bij de ochtend zoals mijn brood en lauwwarme melk met vellen, en hoorde bij de middag zoals het verse halfje dat ik van de bakker alvast in handen kreeg omdat hij met zijn kar nog aan het begin van onze lange straat was, en mijn moeder het zo fijn vond om tussen de middag vers regeringsbrood te eten.

Speelden we samen? Misschien ook wel. Ik kan me niets herinneren. Ik zie haar daar staan in de hoek van de keuken, en ik hoor haar zeggen, want dat vertelde ze vaak, op school, op straat, tegen iedereen die het wilde horen, en tijdens elk gesprek dat over pijn of ziekte ging: ‘Ik heb fijt gehad,’ en dan wees ze naar het topje van haar vinger, ‘ik ben bijna dood geweest.’

(…)

Met Kerstmis was het al duidelijk, dat zij in de vierde klas zou blijven zitten (…)

Ik zat al in de vijfde klas toen deze meester (…) de vierde aan de tand voelde over vriendschap. Serena vertelde me later dat hij zich boos had gemaakt dat de kinderen tegenwoordig niet meer wisten wat vriendschap was. Ze gingen maar van de een naar de ander, en dan was die weer een week je beste vriendin en dan weer een ander. Waardeloos vond hij dat. Trouw in vriendschap was iets bijzonders. Dat was wat ze hier op school nog moesten leren, had hij gezegd. Was er iemand in de klas die al langer dan een jaar hetzelfde vriendje of vriendinnetje had?

‘Zijn jullie al zeven jaar beste vriendinnen?’ vroeg de meester van de vierde toen ik mijn jas van de kapstok trok en hij langsliep met de bel in zijn hand.

Ik moet hem verrast hebben aangekeken. Hij richtte wel eens vaker heel plotseling het woord tot mij, dat was niets om van te schrikken, maar ik begreep die term ‘beste vriendinnen’ niet. Zou hij mij en Lisette bedoelen? Maar ik ging nog niet lang om met Lisette, die naast mij stond en ook haar jas aantrok.

‘Jij en Serena,’ vroeg hij, ‘zijn jullie al zo lang beste vriendinnen?’

Ik schaamde mij, schaamte die ik nu nog voel, dat ik niet aan Serena, nooit zelfs, nooit eerder, als vriendin gedacht had. Toch knikte ik, en ik voegde er zelfs aan toe: ‘Ons hele leven al meester.’

Serena slaakte kreetjes van vreugde toen ik haar het gebeurde vertelde. Ik verzweeg dat de meester had gemompeld: ‘Gos, dat had ik nooit achter jullie gezocht.’ Maar vaak nog dacht ik aan die zin, vooral in bed, en vroeg me af of ik er juist aan had gedaan ‘ja’ te zeggen. Eerst had ik gedacht van niet, maar toen Serena me vertelde van zijn boosheid in de klas, meende ik dat mijn antwoord toch wel juist was geweest.

Vanaf toen verkondigden zowel Serena als ikzelf overal dat wij al een leven lang vriendinnen waren, en bovendien de beste nog wel.

Marion Bloem

Ik zei tegen haar dat het helemaal niet slecht was om aardig te zijn voor anderen, en er was een hemelsbreed verschil tussen gewoon aardig zijn en een vriendschap hebben met iemand, zei ik. Ik zei dat alleen zij mijn vriendin was, dat ik van niemand anders de vriendin was en ook nog nooit was geweest.

’Die anderen interesseren me niet,’ zei ik.

Ze was lastig te overtuigen. Ze zei dat ze niet begreep waarom ik net haar had uitgezocht, terwijl die anderen minstens zo leuk of nog leuker waren. En ook slimmer en knapper.

Ik zei dat ik nog nooit zo’n leuk iemand had ontmoet als zij en dat ik vond dat zij het knapste meisje was dat ik in mijn hele leven had gezien en dat ze op een heel bijzondere manier ook het slimste meisje was dat ik kende.

‘Echt waar,’ zei ik.

Ze glimlachte.

Het leek mij een goed moment om het toch maar aan haar voor te stellen, ook al was ik bang dat ze het veel te kinderachtig zou vinden en had ik er daarom al die tijd niet meer aan gedacht. Maar Ara vroeg om harde bewijzen en ik kon geen harder bewijs bedenken dan bloed.

Ik stelde het aan haar voor.

Ze vond het goed.

(…)

Om alles op te schrijven wat ik op wilde schrijven had ik het bloed nodig van al de vingers van mijn linkerhand, maar toen stond er op de onderste regel van de middenpagina’s van mijn schrift dan ook voluit geschreven: Heden, op 14 november 1967, sloten B. C. en C. B. bloedbroederschap.

Conny Palmen

‘Twee oude vrienden hebben veel herinneringen als hun leven ten einde loopt. Maar nu je hier bent, zullen we het alleen over de waarheid hebben. Ik ben begonnen met mijn vader, die jou als vriend aannam. Je weet heel goed wat dat bij hem betekende; je wist heel goed dat degene die hij de hand gereikt had tot zijn dood op hem kon rekenen, in nood, ellende en rampspoed, bij alle tegenslagen van het leven. Hij reikte weliswaar zelden de hand, maar dan ook onvoorwaardelijk. Zo reikte hij jou de hand op de binnenplaats van het instituut onder de kastanjebomen. We waren toen twaalf jaar oud. Dat was het laatste moment van onze kindertijd. Soms zie ik ’s nachts dit ogenblik scherp voor me, evenals al het andere wat belangrijk is geweest in het leven. Voor mijn vader betekende het woord ‘vriendschap’ hetzelfde als eer. Je wist dat heel goed, je kende hem immers. En laat me je vertellen dat het voor mij misschien nog meer betekend heeft. Neem me niet kwalijk als het misschien ongemakkelijk voor je is wat ik nu ga zeggen,’ zegt hij zacht, bijna warm. ‘Het is niet ongemakkelijk,’ zegt Konrád even zacht. ‘Zeg het.’

‘Het zou prettig zijn om te weten,’ zegt hij, alsof hij met zichzelf redetwist, ‘of vriendschap wel bestaat. Ik bedoel niet die blijdschap van voorbijgaande aard die twee mensen voelen als ze elkaar ontmoeten, omdat ze in een bepaalde fase van hun leven over sommige dingen hetzelfde denken, omdat hun smaak hetzelfde is of omdat hun liefhebberijen overeenkomen. Dat is allemaal geen vriendschap. Soms denk ik dat deze band de sterkste is in het leven… misschien is hij daarom zo zeldzaam. En wat ligt er aan de basis? Sympathie? Een leeg, loos woord, waarvan de inhoud nooit sterk genoeg kan zijn om te bewerkstelligen dat twee mensen in crisissituaties voor elkaar opkomen, slechts op basis van sympathie. Of is het soms iets anders? Is er misschien een sprankje Eros in elke menselijke relatie? (…) Vriendschap, zo meende ik – jij, die meer in de wereld hebt verkeerd, weet hier vast meer over en andere dingen dan ik in mijn dorpse eenzaamheid - , is de meest edele vorm van contact tussen mensenkinderen. Interessant genoeg kennen dieren deze ook. Er is ook vriendschap tussen dieren, onbaatzuchtigheid, hulpvaardigheid.’

Sándor Márai

José Franssen

www.josefranssen.nl