Week 2: Het eerste wat ik mij herinner

Week 2: HET EERSTE WAT IK MIJ HERINNER…

Mijn eerste herinnering is een beeld. Ik ben in de tuin die bij de bezoeken aan opa hoorde, een bloemen- en moestuin grenzend aan een hoekhuis. Ik herinner mij de groene planten in de perken in de tuin die mij eindeloos leek. Fascinerend waren ze, al deze verschillende planten die soms net zo groot of half zo groot waren als ik. Er was een smal paadje tussen de perken door. Ik mocht alleen op het pad en buitenom lopen. En nergens aankomen.

Een andere vroege herinnering: ik lig in het hoge gras op mijn rug, ik kijk naar de blauwe lucht en ik hoor een leeuwerik. Ik kan nú nog de vrede van dat moment voelen.

1

Je iets herinneren hangt heel nauw samen met: je iets voorstellen. Het zijn twee verschillende stappen. Je stelt je iets voor: je denkt bijvoorbeeld aan je eerste dansjurk die je nog steeds in de kast hebt hangen ook al pas je er al lang niet meer in, o ja die hangt een beetje scheef in het meest rechtse hoekje van de kast, naast een paar andere kledingstukken die je niet meer draagt. En als je daar zo met je gedachten omheen draait en je je die jurk nog eens precies voorstelt, dán komt ook het verhaal dat er bij hoort terug, je herinnert je dat je zo verliefd werd op dat dansfeest, en dat je geen enkele respons kreeg op je smachtende blikken, en dat je zo teleurgesteld was en dat je de avond als muurbloempje eindigde. O ja, zegt de herinnering, zó was het.

Het is niet altijd een bewust proces. Je willen herinneren, zelf gestalte willen geven aan je verleden, is als een zoektocht. Dat is wat anders dan de herinneringen die zich te pas en te onpas aan je opdringen, die komen bovendrijven zonder gevraagd te zijn. Er is dus een verschil tussen het je bewust voorstellen en herinneren én onwillekeurige herinneringen. Bij autobiografisch schrijven spelen beiden een rol. Je begint met een bewuste zoektocht, maar de onbewuste herinneringen krijg je er vaak gratis bij.

Eerste en vroege herinneringen zijn vaak heel speciaal.

De meeste mensen herinneren zich pas iets vanaf hun derde levensjaar. Volgens Nico Scheepmaker, die een boekje maakte met eerste herinneringen van 350 mensen, herinneren mensen zich eerst vooral ‘beelden’ (vanaf 2 jaar), dan ‘scènes’ (vanaf 3 jaar), en daarna episodes. De meeste eerste herinneringen zijn scènes. En hoe hoger de leeftijd waarop de eerste herinnering ontstond, des te groter is de kans dat de herinnering bestaat uit een opeenvolging van gebeurtenissen waarin het kind zelf ook iets doet.

Vaak weet men niet of men zich een gebeurtenis werkelijk herinnert, of dat men zich herinnert wat er over die gebeurtenis verteld is. En ook foto’s kunnen heel misleidend zijn, want we herinneren ons ook de foto’s uit onze kindertijd.

‘Als we ons herinneren willen wat ons in de vroegste tijd van onze jeugd overkomen is, gebeurt het vaak dat we datgene wat wij van anderen gehoord hebben, verwisselen met datgene wat wij werkelijk uit eigen waarneming kennen.’

Johann Wolfgang Goethe

2

Maak een lijstje met eerste of vroege herinneringen. Niet teveel over nadenken, laat de beelden, scènes en gebeurtenissen zichzelf maar aandienen. Schrijf alleen trefwoorden op, verzamel eerst een aantal eerste herinneringen.

3

Kijk nu naar je lijstje en kies één herinnering uit, die je wilt uitwerken. Concentreer je op die herinnering. Doe je ogen dicht en probeer te zien, horen, ruiken en voelen hoe het was. Hoe zag het er uit? Wat hoorde je? Welke geur hoort erbij? Wat voelde je?

Verzamel zoveel mogelijk elementen van die vroege herinnering. Schrijf ze op in steekwoorden.

Schrijf daarna op wat je wéét over die situatie. Wat is je verteld? Welke foto’s zijn er uit die tijd en van die situatie? Vul de herinnering aan. In trefwoorden.

4

Schrijf nu een kleine tekst over je eerste of vroege herinnering.

5

In een groep:

Lees aan elkaar de eerste herinneringen voor. Het kan goed zijn dat het horen van de herinneringen van anderen, je weer op nieuwe eigen herinneringen brengt. Schrijf ze op, je kunt ze later uitwerken.

6
Wat je nog meer kunt doen:

Ga in gesprek met je broers en zussen: welke eerste herinneringen hebben zij? Wat herinneren Zij zich van jóuw eerste herinnering? Misschien levert het je nog iets nieuws op.

Ook je ouders kunnen eventueel je eerste herinnering ‘aanvullen’.

Lees het hoofdstuk Omspoeld door vergeten; de eerste herinnering in het boek van Douwe Draaisma.

7

Voor meer inspiratie enkele eerste herinneringen, zoals die in het boekje van Nico Scheepmaker opgetekend zijn:

Marion Bloem, schrijfster, filmregisseuse:

Ik was tweeëneenhalf of drie jaar, mijn zusje ging voor de eerste keer naar de kleuterschool, ik mocht niet mee, en zij werd steeds kleiner en kleiner… Mijn moeder troostte me met de woorden: ‘Later mag jij ook.’

Uit dezelfde tijd dateert de herinnering (en ik weet echt niet welke van de twee de eerste was) dat ik uit ons huis in Soesterberg wat speelgoed naar beneden had gegooid. Een vreemde man kwam toen naar boven, hij aaide me over mijn hoofd en zei dat ik dat speelgoed had gegooid. Ik begreep toen absoluut niet hoe hij dat kon weten, hij was er immers niet bij toen ik het gooide?

Jan Wolkers, schrijver:

Het eerste wat ik mij herinner is de kinderwagen waarin ik lag. De kap van de kinderwagen. Nietwaar Karina, dat is toch mijn eerste herinnering? Ik herinner me de stof met bloemetjes aan die kap. Ik zal toen een half jaar zijn geweest.

Geertje Keller:

Mijn vader las, met zijn benen over elkaar, de krant en ik mocht op zijn voet zitten. Ik wipte daarbij op en neer, dat was net zo’n gevoel alsof ik in de zweef zat. Ik was toen twee of drie jaar.

Kees Pels, zuivelexpert in Broek in Waterland:

Toen mijn zusje geboren werd, moest ik bij mijn grootmoeder slapen in het grijze kamertje, met mijn bedje dwars voor het bed van mijn grootouders. Hals over kop moest ik naar grootmoeder, terwijl ik het verschrikkelijk vond bij haar te slapen. Ze maakte me wakker om te zeggen dat ik een zusje had gekregen. Ik hoor het haar nog zeggen: ‘Je hebt een zusje gekregen!’

Renate Rubinstein, schrijfster:

Het was nog in Berlijn. Ik zat op mijn potje – dat was een dagelijkse horreur, ik moest op het potje blijven zitten tot ik iets gedaan had. Mijn vader boog zich, met zijn hoed op, voorover en gaf me een zoentje ten afscheid.

Benvenuto Cellini (1500-1571), veelzijdig artiest, in “Uit het leven van Benvenuto Cellini”, een van de vroegste autobiografieën:

Mijn grootvader, Andrea Cellini, leefde nog toen ik ongeveer drie jaar oud was, hij was in die tijd over de honderd. Op een dag hadden ze een gootsteenpijp verlegd en daar was, zonder dat ze het hadden gemerkt, een grote schorpioen uitgekomen die omlaag glipte en onder een bank kroop: ik zag hem, liep erheen en greep hem met allebei mijn handen. Het dier was zo groot dat, terwijl ik het in mijn vuistjes hield, aan de ene kant zijn staart er uit stak en aan de andere kant zijn twee bekjes (de geopende scharen). Ze vertellen dat ik heel blij naar mijn grootvader holde en riep: ‘Kijk eens opa, wat een mooi kreeftje ik heb!’ Toen hij zag dat het een schorpioen was, viel hij bijna flauw van schrik en bezorgdheid om mij: hij probeerde met lieve woordjes het dier van mij los te krijgen, maar ik hield het des te steviger vast, huilend en schreeuwend dat ik het niemand wou geven. Mijn vader, die ook in huis was, kwam op het lawaai af en wist van verbazing niet zo gauw een middel te bedenken om te verhinderen dat het giftige beest mij een dodelijke steek zou geven. Op dat ogenblik viel zijn oog echter op een schaartje en terwijl hij me zoet hield, knipte hij daarmee de staart en de bekjes af. Zodra hij zeker wist dat het gevaar geweken was, beschouwde hij het geval als een goed voorteken.

José Franssen

www.josefranssen.nl