Week 33: Hoofdwegen en zijwegen

Week 33: HOOFDWEG EN ZIJWEGEN

1

Ga naar de bibliotheek of naar vrienden die kunstboeken hebben en zoek daar in een boek van Paul Klee naar de aquarel met de naam Hoofdweg en zijwegen (Hauptweg und Nebenwege, 1929). In tweedehands boekwinkels vind je ook vast een boek met dat beeld.

Bekijk het beeld heel uitgebreid en telkens weer. Je kunt het zien als een landschap van je leven. Er is een hoofdweg, die je te gaan hebt, er zijn zijwegen of nevenwegen.

2

Als je het beeld bekijkt en nadenkt over de hoofdweg en de zijwegen, de doodlopende weggetjes en de kronkelpaadjes in je eigen leven, wat komt er dan zoals in je op? Bekijk je eigen levensverhaal als een landschap met hoofdwegen en zijwegen.

Hoe ziet dat landschap er uit? Welke wegen ben je gegaan? Waar ben je omgedraaid? Was je veel op je hoofdweg? Welke zijwegen heb je bewandeld? Wat leverden je die zijwegen op? Waren er doodlopende wegen in je leven? Dwaalwegen? Kronkelpaden en ongebaande wegen? Ging je over snelwegen of was je vooral op rustige binnenweggetjes?

Schrijf alles op wat er in je opkomt. Welke woorden komen er? Welke beelden? Beschrijf de beelden zo, dat iemand die ze niet kent, gaat zien en begrijpen. Welke associaties heb je? Waar brengt het beeld en het thema je naartoe?

3

Schrijf nu het verhaal over de hoofdwegen en zijwegen in je eigen leven. Je kunt inzoomen op de hoofdweg of op een van de kronkelpaadjes of zijwegen, maar je kunt ook je leven als geheel overzien en kijken naar de landkaart van je leven.

Probeer in je verhaal uit te drukken wat voor jou hoofdwegen en zijwegen waren, en waar je je nu bevindt op je eigen landkaart. Probeer ook in je verhaal te beschrijven hoe jouw hoofdwegen, zijwegen, en de landkaart van jouw leven er uit zien. Beschrijvingen zijn onmisbaar in elk verhaal. Je kunt nooit alles vertellen, dus je kiest een aantal passende details die met elkaar een beeld oproepen, waarvan je hoopt dat de lezer het begrijpt. Met beschrijvingen roep je een beeld en een sfeer op. Zintuiglijke waarnemingen zijn daarin belangrijk.

Zorg in jouw verhaal voor een ‘beschrijving’.

Beschrijvingen hebben betrekking op de plaats van handeling, op het uiterlijk van personen, op hun gebaren, handelingen en gelaatsuitdrukking en voorwerpen.

Nu is het niet mogelijk om alles, maar dan ook echt alles te noteren wat er ergens is te zien, ruiken, horen, voelen, proeven, vrezen en vermoeden. De overmaat aan detail maakt dat onmogelijk: het ruwe oppervlak van de stammen in een bos, de diepzwarte schaduwen tussen de grillige schorsruggen, de insecten op de stam en het merkwaardige veren van de grond. Het geknisper van dode naalden, het zware vallen van druppels die van de bomen lekken en de schakeringen in de groene vlakken van het struikgewas en de bomen. Het is te veel.

Schrijvers kiezen uit die overvloed een paar details die samen het gewenste beeld oproepen. Beschrijven is daarom voornamelijk een kwestie van suggereren.

Per Groen

4

In een groep:

Lees aan elkaar de teksten voor. Let bij de bespreking van de verhalen speciaal op de beschrijvingen.

5

Wat je nog meer kunt doen:

Maak een eigen schildering of tekening van je leven. Maak een beeld met kleurpotloden, pastelkrijt of oliekrijt, of schilder met waterverf. Het hoeft geen mooi schilderij te worden en geen herkenbare tekening. Wel probeer je het thema hoofdwegen en zijwegen als uitgangspunt te nemen.

Onderstreep de belangrijkste worden uit je verhaal. Maak met die woorden een gedicht.

Blader door kunstboeken en zoek naar beelden die voor jou een verbinding hebben met je levensverhaal. Kies een beeld uit en gebruik dat als uitgangspunt voor een verhaal of gedicht.

Of zoek plaatjes in tijdschriften die voor jou lijntjes leggen naar je eigen verhalen. Laat je inspireren door beelden voor je verhaalfragmenten.

Oefen in beschrijvingen. In Van Dale staat onder beschrijving onder andere: voorstelling in woorden, uiteenzetting, volledige opsomming der bijzonderheden en kenmerken van iets of iemand, schildering. En onder beschrijven: een voorstelling van iets geven in woorden, door opsomming van kenmerken en bijzonderheden; een omschrijvende opsomming geven van.

Lees: De Beschrijving. Themanummer van Raster, Tijdschrift in boekvorm. Nummer 60. De Bezige Bij, Amsterdam, 1992.

6

Voor meer inspiratie:

De hoofdweg

De hoofdweg in mijn leven is voor mij, en ik denk voor velen van mijn generatie, mijn huwelijk. Hoe was het begin? De eerste kennismaking was voorzichtig. Bijna angstig leerden we elkaar kennen, echt ontmoeten was het eigenlijk niet. Toch kwam er vertrouwen en we leerden ons veilig te voelen bij elkaar. Wat is er uit gegroeid?

Op een stralende, zonovergoten, meidag trouwden we in een dorp vol bloesem. De appelbomen bloeiden uitbundig. Het was twee jaar na de Tweede Wereldoorlog en we kenden maar één motto: niet zeuren maar werken. Er moest opgebouwd worden en het was als of de appelbomen hieraan meededen. Ik was een stralende witte bruid met een gelukkige bruidegom en we hadden onze feestvierende familieleden en kennissen om ons heen. Ik, onnozele, dacht dat het zo zou blijven. Ik zag geen donkere dagen, alleen maar wit.

Het seksuele leven heeft bij ons nooit problemen opgeleverd. Mijn man en ik waren volwassen mensen. De eerste schrik kwam bij de geboorte van ons eerste kind. Mijn God, moesten kinderen zó ter wereld komen? Ik besloot dan ook geen kinderen meer te nemen. Maar we kregen er zeven, die we met heel veel geduld en liefde hebben grootgebracht.

Eigenlijk hebben mijn man en ik een tijdlang niet bewust geleefd. De zorgen om ons gezin goed draaiende te houden, slokten ons helemaal op. Eten, slapen, wassen, poetsen en een beetje fatsoenlijk wonen. Steeds weer probeerden we de eindjes aan elkaar te knopen. We hebben nooit een auto gehad, maar wel een eigen huis. Onze vakanties bestonden uit dagtochtjes.

Toen gingen onze oudsten naar de middelbare school en universiteit. De zorgen maar ook de vreugden bleven. Wel leefden we plotseling weer zelf. We vierden eindexamens met bijbehorende feesten, we bezochten voorlichtingsdagen voor de universiteit, uiteraard de rooms-katholieke in Nijmegen. Er werden kamers gezocht, studiebeurzen aangevraagd en ga zo maar door. De weekends waren overvol, zware tassen met was kwamen op vrijdagsavond binnen. Hongerige magen werden gevuld.

Stilaan werd ons huis toch leger. Wat een vreemde gewaarwording. Bij de geboorte een plaatsje moeten zoeken en nu achterblijven met halflege kamers en kasten.

Vakanties waren er ook nu niet. Onze uitjes bestonden uit het opzoeken van onze kinderen. Het was heerlijk om in Nijmegen rond te dwalen en de omgeving te verkennen, om het leven van onze kinderen mee te maken en hun heimwee te voelen.

Doch ook dit wende. De heimwee van de kinderen nam af, ze kregen vrienden en hun woonruimte werd beter. Ten slotte kwamen ze thuis alleen nog op bezoek.

Na tweeëndertig jaar huwelijk stierf mijn man, heel plotseling. Een mooie droom was over.

Jeanne Last-Frijnts

De weg

Thuis: dat is het landgoed van mijn ouders. De weg die naar mijn thuis voert, is niet geasfalteerd, hij is helemaal niet verhard. ‘Zomerweg’ wordt hij genoemd, ofschoon hij er ook in de winter is en in de herfst en in de lente. ‘s Zomers, op het heetst van de dag, glinsteren de zandkorrels in het licht van de felle zon. Het is een verrukkelijke sensatie om er blootsvoets doorheen te lopen. Ik voel het rulle, warme zand zachtjes tussen mijn tenen vloeien. Tijdens het lopen spelen mijn tenen met de zandkorrels. Ik maak ze krom en wil het zand vasthouden, maar dat lukt niet. De korrels lijken wel water, dat tussen mijn tenen doorsijpelt.

Boven op de heuvel blijf ik staan. Op de velden aan weerszijden rijpt het koren. Een zuchtje wind speelt met de aren. Beneden ligt, langgerekt, het meer. Ook daar een glinsteren, wanneer zonlicht het water raakt, dat door de wind zachtjes in beweging is. Ginds, aan de rand van het meer, ligt het kleine dorp. Een hond blaft en ganzen gakken. Van de kerktoren komt het geluid van de klokken. Het is middagtijd. Ik draai me om en loop huiswaarts. Het woonhuis, de stallen en het erf liggen verborgen achter de sleedoornhagen, die de tuin omgeven. Alleen de daken turen tussen het groen van de bomen naar de zonovergoten weg. En achter het erf begint het bos.

Wanneer de winter op zijn hoogtepunt is, kun je alleen nog vermoeden, dat de weg er ligt. De ijzige oostenwind, die de kou uit de Russische steppen meebrengt, heeft de sneeuw over de weg gewaaid, hoger en hoger. Zo verdwijnt de weg en daarmee het zand, de wagensporen en de afdrukken van paardenhoeven. Bevroren is de herinnering aan de zomer. De wereld is wit geworden, stralend wit, wanneer de zon aan de strakblauwe hemel schijnt. Bij elke stap kraakt de sneeuw onder je voeten. Het meer is dichtgevroren. Het ijs is zo dik, dat het de spanning niet meer verdraagt en ’s nachts met het geluid van kanonschoten scheurt. De bomen van het bos achter het erf steken donker en kaal af bij de witheid die over de velden ligt. Alleen op de takken van de dennenbomen ligt een deken van sneeuw. Ze dragen de belofte van Kerstmis in zich.

Ook op het dak van het huis ligt dik en warm de sneeuw. Uit de schoorsteen stijgt de rook steil omhoog. Het ruikt naar het hout dat brandt in de grote tegelkachel in de hoek van de kamer. Over die kachel, de warmte die hij uitstraalt, het flakkerende vuur achter het deurtje en de geur van gebakken appels, zou ik een lied willen zingen van heimwee en verlangen.

Dertig jaar geleden verlieten wij ons thuis. Wij moesten het verlaten omdat de oorlog over het land kwam. Het was midden in de winter en bitterkoud. Weer had de wind uit het oosten de weg onder de sneeuw bedolven. Er was geen weg om weg te gaan van thuis. Maar het moest, er was geen keuze. Het was nacht toen wij vertrokken. Twee uur was het op de klok in de woonkamer, ik zag het, toen ik een laatste blik naar binnen wierp. De sneeuw gaf een diffuus wit licht en maakte dat de nacht niet donker was. Over het dichtgevroren meer ging de vlucht, immer verder, ver weg van thuis.

In de lente ben ik teruggekomen. Even maar, want mijn thuis en mijn land behoren nu anderen toe. De weg is er nog en nodigt uit: kom naar huis. Ik loop als in een droom. Door het rulle zand, de heuvel omhoog. Aan weerszijden van de weg begint het koren te groeien. Beneden blinkt het meer. Nog een paar honderd meter, dan ben ik thuis. Ik kan de daken niet zien, de struiken van de sleedoornhaag zijn uitgegroeid tot hoge bomen, bedekt met witte bloesem. Aarzelend kom ik dichterbij, blijf op de weg staan. Het duurt even voordat het tot mij doordringt wat ik zie: verwilderde tuinen, die geen tuinen meer zijn, stallen en schuren verbrand op een enkele na, het woonhuis voor de helft een ruïne. Maar in de verwilderde tuinen bloeien de seringen die mijn moeder heeft geplant. Ik sluit mijn ogen en adem de geur diep in en even ben ik werkelijk thuis.

Langzaam ga ik de weg terug die ik gekomen ben. Het is goed dat ik nog een keer zijn sporen heb gevolgd. De schrijnende heimwee maakt plaats voor verstilde weemoed.

Irmgard Brose

Pas bij de grafheuvel van Giby begreep ik wat ‘landschap en herinnering’ precies betekende.

Op het eerste gezicht, toen hij langs het raampje van de oude Mercedes flitste, zag hij er nietszeggend uit, gewoon een onbeduidend heuveltje waarop iemand een geïmproviseerd kruis had gezet: weer zo’n dorpsfetisj op een plek die nog zindert van vroomheid. Maar er was iets wat mijn aandacht trok, wat me een ongemakkelijk gevoel gaf en maakte dat ik nog eens moest kijken. We keerden de auto.

We hadden rondgereden door de noordoosthoek van Polen, een land waar de grenzen heen en weer marcheren op de abrupte commando’s van de geschiedenis. De velden tarwe en rogge die in langzame golven op het ritme van de bries bewogen, waren achtereenvolgens Litouws, Duits, Russisch en Pools geweest. En terwijl de auto de kilometers tussen het oude jachthaventje van Augustów en het middeleeuwse kerkstadje Sejny verslond, leken we terug te gaan in de tijd. Ploegen werden getrokken door paarden. Dezelfde paarden – zware, logge vossen met hoge schoften – trokken wagens vol zonverbrande boerenkinderen over karresporen en paden. De lucht rook naar vee. De weidse vroege-avondhemel werd niet verstoord door het gegier van straaljagers of doorboord door hoogspanningsmasten. Naast schoorstenen stonden ooievaars op wacht bij hun overmaatse nesten, slordige vestingen van twijgjes en takken. Van tijd tot tijd barstten de vogelparen, partners voor het leven, los in luidruchtige huwelijksduels, waarbij ze hun felgekleurde snavels tegen elkaar tikten. In het oosten rees onvermurwbaar een donkere muur van bos op tegen de horizon, het oudste bos van Europa.

Ik was naar Polen gekomen om dit bos te zien. Wat ik precies kwam zien, wist ik niet. Geschiedkundigen horen het verleden altijd te bereiken via teksten, een enkele keer via beelden; dingen die veilig gevangenzitten onder de glazen stolp van academische conventies; je mag er alleen maar naar kijken. Maar een van mijn lievelingsdocenten, een intellectuele oproerkraaier en zonderling moedige schrijver, zei altijd dat je een rechtstreeks ‘gevoel van plaats’ moest ervaren, het ‘archief van de voeten’ gebruiken. Mijn onderwerp was landschapsmythologie en herinnering, en deze bosrijke wildernis, de puszcza, die zich uitstrekte over het hele grensgebied dat Polen deelde met Wit-Rusland en Litouwen, was de ‘geboortestreek’ van moderne schrijvers als Czeslaw Milosz en Tadeusz Konwicki; of klassieke als Adam Mickiewicz. Generatie na generatie hadden die schrijvers gewerkt aan een troostrijke mythe van een bosrijk gebied dat onaangetast alle rampen verdroeg waar de Poolse staat door werd getroffen. (...)

Het is geteisterd land, waar je tussen de varens nog knopen kunt vinden van jassen van zes generaties gevallen soldaten.

En zo was het ook vaak, maar de dorpen waar we doorheen liepen, die pittoreske landelijke huisjes met hun schuine houten dakranden en tuinen tussen rommelige schuttingen, waren ooit joodse huizen geweest. ‘Zeventig, tachtig procent van de mensen hier en hier en hier,’zei Tadeusz, ‘- allemaal joden.’ Dus zelfs als ze niet met hun handen het land bewerkten of hooi maaiden in de velden waren deze joden plattelanders geweest, net zo goed als de dorpelingen in de Cotswolds of de boeren in Auvergne. En een gedeelte van hen, mensen die iedereen in het grensland van Polen en Litouwen kent, waren zelfs bosbewoners, uit de woeste puszcza.

Ergens bij die groep hoorde mijn familie. (…)

Ergens aan een oever van een Litouwse rivier, helemaal ingesloten door een oerbos, stond het huis van mijn overgrootvader Eli: het was gemaakt van ruwbewerkt hout met een laag pleister, en werd omgeven door een stenen muur om de sociale status duidelijk te maken. Mijn moeder, die geboren en getogen is in de woelige herrie van het joodse East End in Londen, herinnert zich nog flarden van verhalen van haar vader en oom over dit landschap: verhalen van broers die wolven wegjoegen van de sleden (het klassieke sterke verhaal in bostaveernen); van de dromerige jongste broer, Hyman, die in slaap viel bij het laaddepot en ruw werd gewekt doordat hij aan een stam was vastgebonden en in de rivier gegooid. Was deze familie even onwaarschijnlijk als de Jiddische bosbewoners uit de Oekraïne, die ik had gezien op een oude foto van Roman Vishniak, waarop ze stammen krikken, met vilthoeden op hun peies; houthakkers mit tzitzis?

En waar wás het precies, die plek, dat huis, die wereld van dikke gele sigaretten, versterkende slokken uit smerige wodkaflessen, chassidische liederen die over Poylishe velder vol dennen schalden? ‘Waar was het?’drong ik aan bij mijn moeder terwijl we een slaatje zaten te eten in een hotel in West End. Voor het eerst in mijn leven wilde ik het dolgraag weten. ‘Provincie Kowno, buiten Kowno, meer hebben we nooit geweten.’ Ze haalde haar schouders op en ging verder met haar sla.

Simon Schama

Bij Flaubert (wanneer de verteller zich tussen de coulissen terugtrekt) zal de beschrijving pas echt functioneel worden in de vertelling. Ze verliest dan de hebbelijkheid, die al bij de chronikeurs van de middeleeuwen zichtbaar wordt: de onderwijzende toon, gretig om encyclopedische begrippen te introduceren als er ook maar iets te berde gebracht moet worden. Vanaf Flaubert is de beschrijving aan banden gelegd door de economie van de tekst en de lezer.

Want de beschrijving is een gevecht tussen twee competenties: die van de schrijver en de lezer. Het is een onzeker pact dat tussen de twee gesloten wordt. Welke kennis mag de schrijver bij de lezer veronderstellen, hoe moet hij er mee omspringen zonder de lezer ermee te vervelen of te pedant, uitleggerig te zijn. (…)

We zijn er pas sinds een eeuw aan gewend geraakt dat de beschrijving zich verstopt in de verhalende tekst zoals een haas in het struikgewas.

Anthony Mertens

Ik ben uit Amsterdam komen aanrijden, per auto. En heb voor de laatste keer koers gezet naar het huis. Als ik straks de Mispelstraat en de Vruchtenbuurt weer uitrijd is dat – neem ik aan – definitief. Ik zal niet meer terugkeren in de buurt van mijn jeugd: ik heb er niets meer te zoeken.

Langzaam zal het stratenplan, zullen de routes door zowel de buurt als de stad, zullen de buurtwinkels, zal de weinig fraaie Vlierboomstraat, de iets welgesteldere Appelstraat, de bakstenen lelijkheid van de Petrakerk op de hoek van de Thorbeckelaan, langzaam zal dat alles mijn hoofd gaan verlaten.

Nicolaas Matsier

José Franssen

www.josefranssen.nl