Snipperbericht 26

ALS EEN BORD DAT AAN SCHERVEN IS GEVALLEN Het schrijfproces en het levensverhaal - Themakeuze en fasering

Schrijfproces Schrijfproces: het woord alleen al. In de Van Dale staat achter proces: ‘werking, in haar voortgang beschouwd; ontwikkelingsgang; verloop. Procesbewaking, procesbeheersing, procesgang.’ Schrijfproces staat er niet in, wel ‘schrijfblok’, ‘schrijfbeweging’, ‘schrijfkunst’, ‘schrijfoefening’, ‘schrijftrant’ en zelfs ‘schrijfzucht’ om maar een paar woorden te noemen, die beslist iets meer met het schrijfproces te maken hebben. Doordat ik eromheen draai, doordat ik het woord nu weer eens vanuit deze en dan weer vanuit die hoek bekijk, doordat ik het woord weeg en probeer in te vullen, gebeurt er van alles mee. Het is zowel iets bekends, iets ouds dat er altijd al was, als iets geheimzinnigs geworden, dat schrijfproces. Ingewikkeld wordt het als ik het schrijfproces verbind met het schrijven van levensverhalen. Over welk proces gaat het: de verschillende stappen die telkens moeten worden gezet om tot een tekst te komen, tot een deel van het mozaïek? Of over de verschillende fasen die worden doorlopen naar een uiteindelijk eindproduct (het levensverhaal)? Over het proces dat de auteur innerlijk tijdens het schrijven doormaakt? Of gaat het om een proces waarin vooral de motieven van de schrijvers bepalend zijn? Gesprekken met de deelnemers uit mijn cursus levensverhalen schrijven leerden mij dat op al deze vragen door elke schrijver andere antwoorden gegeven worden. In dit artikel wil ik twee hoofdlijnen aangeven, ik benoem de verschillende fasen in het schrijfproces vanuit twee invalshoeken. Dankbaar heb ik gebruik gemaakt van het materiaal uit de gesprekken met Ineke Herberichs en Paul van de Boel. Hun woorden illustreren mijn gedachtegang.

Ineke Herberichs: ‘Eerder volgde ik een cursus over het schrijven van reisverhalen. Hier ontdekte ik hoe leuk het was om aan de hand van een voorwerp, een foto, via heel verschillende invalshoeken te schrijven. Het leek mij mooi zo mijn eigen leven vast te leggen. Ik had al eens voor mijn dochter een deel van mijn levensverhaal opgeschreven. Ik wilde haar iets van mezelf geven: mijn verhaal tot en met mijn elfde jaar. Maar ik wilde meer opschrijven over mijn eigen leven, ook over latere en ingewikkelder periodes. En omdat het voor mij motiverender is om voor een speciaal iemand te schrijven, wil ik nu een boekje maken voor ene kleindochter. Zij lijkt op mij, ik vrees dat ze een outsider is en zich probeert aan te passen in het leven. Ik hoop dat ze troost en herkenning vindt in mijn woorden. Mijn levensverhaal is voor haar als ze volwassen is, niet voor nu, misschien krijgt ze het pas na mijn dood. Wat ik wil schrijven heeft pretenties: ik wil eerlijk over mijn leven vertellen. Het lijkt me fijn als kleinkind zo’n geschenk van je grootmoeder te krijgen. Ik wil ook graag iets doorgeven over de tijd, een hele eeuw: mijn vader was van 1887, ik ben van 1936, mijn kleindochter werd in de jaren tachtig geboren. Ik wil opschrijven hoe ik ben geworden wie ik nu ben. Reflecties over mijn eigen leven, de lijn die ik erin zie, mijn verbondenheid met mijn wortels, dat wil ik in een vorm gieten. En hoewel ik veel uit mijn leven op een rij heb, vind ik het toch ook moeilijk bepaalde dingen op te schrijven, bijvoorbeeld over de periode van het weggaan bij mijn man en het aangaan van een nieuwe relatie. Toch wil ik laten zien: zo gebeurt dat. Ik wil schrijven over alles, over gemis en verdriet, maar ook over de dingen die gelukkig maakten. Over de twee mannen in mijn leven, over hoe verschrikkelijk belangrijk ze voor me waren. Ik zou mijn kleindochter graag de liefde voor de natuur en voor de literatuur willen meegeven. Het klinkt heel pretentieus en ik wil veel, maar ik heb het gevoel dat het belangrijk is, dat ouders aan hun kinderen hun eigen geschiedenis vertellen en dat familietradities worden doorgegeven. Er is een kern die blijft en het is goed dat een kind weet waar zijn wortels liggen, zeker in deze tijd van vluchtigheid en snelheid. Ook voor mezelf schrijf ik, dit kleinkind is mijn alter ego: ik wil mezelf troosten en met mezelf in het reine komen. En: ik wil mijn levensverhaal in een acceptabele vorm gieten, het schrijven moet tot een resultaat leiden. Niet alleen wat ik door wil geven, maar ook het product is belangrijk. Iets dat af is, vind ik hele bevredigende. Eigenlijk zou ik graag iets schrijven, dat wordt uitgegeven. Maar dat durf ik niet hardop te zeggen.’

Fasen in het schrijfproces

Ik herinner het me niet erg goed, want ik was nog maar een kind toen ik daar wegging; alleen kleine stukjes, als een bord dat aan scherven is gevallen. Er zijn altijd een paar stukjes die eigenlijk bij een heel ander bord lijken te horen, en dan zijn er ook lege plekken, waar niets in past. Margaret Atwoord in: Alias Grace, Gerda Baardman en Tjadine Stheeman, Bert Bakker, Amsteram 1996, p.100

Dit zegt Grace Marks, de hoofdpersoon in Alias Grace, een roman van Margaret Atwood, als ze probeert haar levensverhaal te reconstrueren. En zo is het voor velen: het levensverhaal als een afgerond verhaal dat we slechts uit onze herinnering hoeven op te diepen en op te schrijven, bestaat niet. Het levensverhaal is geen kant en klaar boek. Het is een mozaïek, dat bestaat uit veel veelvormige, kleurrijke en kleurloze, korte en langere herinneringsflarden. Als we die flarden, die mozaïekstukjes in taal willen vangen, maken we er verhalen van, en de volgorde, de samenhang tussen die verhalen brengen we zelf aan. In een cursus levensverhalen schrijven, gaat het er dus in eerste instantie om stukjes van het mozaïek te bemachtigen, fragmenten van het grote verhaal vast te leggen. Het schrijfproces kan dus in eerste instantie worden opgevat als het proces, waarin zo’n verhaalfragment uit de herinnering wordt opgediept en beschreven. In dit proces zijn vier stappen of fasen te herkennen: een impuls wordt gevolgd door een associatiefase en schrijffase, waarna de verhalen voorgelezen en becommentarieerd worden. (Zie ook: José Franssen, Van vroeger. Levensverhalen schrijven met ouderen. Bohn, Stafleu Van Loghum, Houten 1995, blz. 68.e.v.)

De impuls Het begint bij een impuls. Welk verhaal uit het enorme reservoir van de herinneringen zal vandaag aan de beurt zijn? Waarover zal het gaan, in welke levensfase speelt het verhaal? Een schrijver is voortdurend op ontdekkingsreis, op zoek naar nieuwe ingangen voor het eigen verhaal, op zoek naar nieuwe stukjes van de grote puzzel. Ik start elke oefening met het aanreiken van inspiratiebronnen. De schrijvers worden uitgedaagd om op pad te gaan. Op zoek naar hun thema’s, om na verloop van tijd misschien te ontdekken, dat een aantal onderwerpen voortdurend terugkomen. Het gaat om het aanboren van de eigen bronnen. De zintuigen worden opgepoetst, het kijken, horen, zien, proeven en ruiken en de intuïtie worden ingeschakeld. Via de waarneming hebben we toegang tot ons geheugen: we putten allemaal uit en schatkist vol verhalen. De herinneringen worden aangesproken. Uitgangspunt in het herinneringsproces is wel, dat men zich één concreet voorval, één bepaalde episode uit het leven herinnert. Thema’s en ideeën zijn er genoeg, concrete invalshoeken zijn voorradig: je kunt over je straat schrijven, over schoenen, over hoedjes, over de kapper, de winkel op de hoek, een buurvrouw, een oma of over jezelf. Imaginatie- en visualisatie-oefeningen, fragmenten uit de literatuur, foto’s, muziekfragmenten, maar ook concrete voorwerpen die met het verleden verbonden zijn, zoals sieraden, vakantieherinneringen en oude dagboeken of brieven: de hulpmiddelen om jezelf of anderen te helpen verhalen te vinden, zijn talrijk.

Ineke Herberichs: ‘Eerder schreef ik mijn verhaal chronologisch op: het werd één hele lange brief. In de cursus kreeg ik het concept van het mozaïek aangeboden. Zo’n systeem, als de vorm van een diamand met vele facetten, is veel bevredigender voor mij. Ik kon zo allerlei stukjes van mijn verhaal verzamelen en steeds nieuwe kanten belichten. Het was een haalbare formule. De oefeningen die werden aangeboden, riepen bekende verhalen op, maar leidden ook naar nieuwe herinneringen. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de geurenoefening: de geuren riepen enorm veel associaties en herinneringen op, waar ik anders niet op gekomen zou zijn. Ineens zag ik weer de grote houten wasmachine, en de ruwe grijze tegels inde waskeuken. Het in kleur verbeelden van mijn levenspanorama, riep dat ook voor mij op. Verrassend, heel mooi, maar ook confronterend. Ik schrok van mijn tekening: mijn latere geliefde leek belangrijker dan mijn man, met wie ik kinderen had en een gezin. Het riep voor mij veel vragen op over deze twee relaties en hun belang in de tijd. Ik ervoer ook, dat de kracht van het beeld een andere is dan die van woorden: het was voor mij een wezenlijke ervaring. Dat vond ik ook de meerwaarde van de cursus: het was niet alleen een intellectuele ervaring. Op andere levensniveau’s gebeurde er ook van alles. Eigenlijk was het me te veel, ieder week cursus. Het was zo intensief, ik werd overweldigd door alles wat op me af kwam. In een week tijd had ik dat nog niet op een rij, verwerkt en ook nog opgeschreven. Het maakt heel veel los.’

De associatiefase Het idee wordt uitgeweekt. Er volgt een associatieve fase, waarin de schrijver het idee wikt en weegt, vanuit alle hoeken bekijkt. Elk woord, elke inval, elke zin of flard van een zin, elk aspect dat zich aandient rondom het idee wordt genoteerd. Bewust en onbewuste herinneringen krijgen de kans om zich aan te dienen. Er wordt vooral nog niet echt geschreven, er wort materiaal verzameld. Zoals je boodschappen gaat doen en verschillende dingen koopt, zodat je thuis kunt beslissen of je het ene gerecht, of misschien toch dat andere laarnaakt. Het kiezen komt later. Het terrein wordt verkend. Er wordt gebrainstormd, van de hak op de tak gesprongen, gefladderd, om met Toon Tellegen te spreken:

'Kijk', zei de vlinder, 'je denkt aan honing, hm lekkere honing, en dan meteen daarna denk je aan boomschors en dan aan het nijlpaard en dan aan kroos, aan een krukje, aan zand, aan een schaar, aan rozen, het geeft niet wat, als je maar meteen aan iets anders denkt als je ergens aan denkt…' (Toon Tellegen in: Langzaam, zo snel als zij konden. Met prenten van Mance Post, Querido, Amsterdam, 1990, blz. 5)

Het gaat om de kwantiteit en niet om de kwaliteit. Veel mensen, die beginnen met schrijven, moeten dit associëren leren. Zij zijn niet (meer) gewend om op een niet-lineaire wijze te denken, zij kennen vooral de geordende, afgebakende wegen, en het kost hen in het begin vaak moeite om zich in de schijnbare chaos van het associëren te begeven. Associëren kan op veel manieren gebeuren; je kunt lijstjes maken, woordkettingen, waaierassociaties, veldassociaties, er zijn doorschrijf-oefeningen en oefeningen automatisch schrijven, je kunt woordclusters maken (Zie bijvoorbeeld: W. Verlaeckt, Over creativiteit in schrijven. Acco, Leuven 1984, blz. 87 e.v.; Gabrielle L. Rico, Garantiert schreiben lernen. Sprachliche Kreativität methodisch entwickeln, ein Intensivkurz auf der Grundlage der Modernen Gehirnforschung. Rowohlt, Reinbek bei Hamburg 1984; Nelleke Dorrestijn en Ingemar Svantesson, Mindmapping in de praktijk. Van Loghum Slaterus, Deventer 1989.). De associatiefase is erg belangrijk en mag niet worden overgeslagen.

Ineke Herberichs: ‘De oefeningen tijdens de cursus doen een beroep op mijn creativiteit: steeds vanuit andere invalshoeken moeten schrijven, werkt simulerend. Schrijven vanuit zintuigelijke waarneming, imitatie-oefeningen, al die verschillende manieren om je materiaal te verzamelen: ik kom alleen al graag naar elke cursusbijeenkomst omdat ik zo nieuwsgierig ben naar weer een nieuwe opdracht. Tijdens de lessen lukt het altijd wel om wat op papier te krijgen: het moet snel en je hebt niet veel tijd om na te denken. Thuis is het anders, ik stel dan hogere eisen, en het is ook moeilijker om te beginnen. Toch biedt het geschrevene in de les wel houvast, en de opdracht ook: voor de volgende keer moet het klaar zijn. Ik merk dat mijn medecursisten vaak moeite hebben met het verzamelen van associaties. Voor mij is het eerder een probleem dat ik niet kan stoppen Het ene beeld roept het andere op in een niet te stuiten stroom van herinneringen. Daarbij komt, dat ik er veel plezier in heb al die beelden onder woorden te brengen. Het bezig zijn met de taal is voor mij als een spel, waarbij ik de rode draad soms vergeet.’

De schrijffase Dan volgt de schrijffase. Er wordt een keuze gemaakt uit het verzamelde materiaal. Van de spullen uit de boodschappentas worden die producten die nodig zijn voor de gekozen maaltijd bij elkaar gelegd en verwerkt. Er wordt geschreven. Letterlijk, en daarmee ontstaat nog geen definitieve tekst, maar een concept, waaraan later kan worden gesleuteld. Tijdens het schrijven gaat het associëren door. Ook de beste ideeën voor ordening ontstaan vaak tijdens de schrijffase. Het schrijven zelf is onderdeel van het denkproces, dat leidt naar het uiteindelijke product. In deze schrijffase kan worden geoefend met het meer technische gereedschap uit de taalkist: een personagebeschrijving, een sfeertekening, het weergeven van decor, het tijdsverloop in het verhaal, het perspectief…Ook vormoefeningen dwingen de schrijver op een bepaalde manier te schrijven en op verkenning te gaan in het land van de duizend mogelijkheden van de taal. Literaire vormen en genres (bijvoorbeeld de briefvorm, het essay, een dialoog, gedichten zoals de haiku, kwatrijn, pantoem, limerick, rondeel sonnet) bied ik vaak aan als model en als oefening, op zoek naar een eigen stijl en vorm.

Ineke Herberichs: ‘Doordat de opdrachten begrensd zijn vind ik het leuker om te schrijven dan vroeger. Ik kan het beter behappen. Steeds opnieuw doe ik ontdekkingen, ook tijdens het schrijven zelf: als je maar schrijft dan stimuleer je ook je eigen creativiteit, het ene woord roept het andere op. Ik lees ook erg veel, en ik merk dat ik steeds liever dagboeken en autobiografieën lees. Tijdens het lezen ben ik ook meer op de vorm gaan letten: wat ik lees moet ook mooi geschreven zijn, in mooie taal. Ik heb trouwens al lang een voorkeur voor het lezen van jeugdherinneringen, en dan het liefst in de ik-vorm geschreven, vanuit het perspectief van het kind. Ik zou wel willen schrijven zoals Rita Verschuur. ( Rita Verschuur, Hoe moet dat nu met die papillotten? (1993); Mijn benen draaien rondjes (1994); Vreemd land (1995); Hoofdbagage (1996), Van Goor, Amsterdam.) Ik ben mijn leven lang al bezig met lezen en schrijven. Op een bepaalde manier wordt het steeds ingewikkelder, alsof ik niet verder kan, kennelijk durf ik sommige dingen ook niet aan. Ook omdat ik weet hoe moeilijk schrijven is en ik me er door alle technische informatie zo bewust van ben. Ik stel vaak te hoge eisen aan mezelf. Daarom is het zo leuk in de cursus het schrijfplezier weer terug te vinden. Onderwerpen waar ik al vaker over geschreven had, worden nu op een andere manier belicht. Ik kan soms fragmenten met elkaar verbinden die belangrijk zijn en die goed bij elkaar passen. Vorm en inhoud kloppen beter. Ik schrijf gemakkelijk, maar het vinden van de vorm vind ik moeilijk. In de cursus leer ik de kernvraag voor elke tekst te benoemen, een rode draad, en die vraag is dan de leidraad in mijn verhaal. Ik schreef bijvoorbeeld over de tuinen in mijn leven; de kernvraag daarbij bleek te zijn: waarom mis ik een tuin zo? En dan gebeurt het soms dat er een tekst ontstaat waarin verzoening of vitaliteit tot uitdrukking komt, en dan weet ik: ja, zo is het. Dit zijn de goede woorden voor dit verhaal. Daarvoor ben ik op ontdekkingstocht, daarvoor schrijf ik.’

De uitwisselingsfase Na de schrijffase volgt een ronde waarin de teksten worden meegedeeld aan anderen, waarin commentaar wordt gevraagd en geleverd en waarin herschrijfopdrachten zullen leiden tot een herziening, verbetering en vaak ook tot het afmaken van het verhaal of gedicht. Teksten hardop aan elkaar voorgelezen (je hoorde heel andere dingen dan je ziet bij het bespreken van schrijfproducten), ze worden gelezen door anderen, en er wordt feedback gegeven, al dan niet volgens gerichte aanwijzingen. Deze vierde fase kan aanleiding zijn voor het herschrijven van teksten, waarna een nieuwe feedbackronde mogelijk is.

Ineke Herberichs: ‘Het schrijven lijkt mij gemakkelijk af te gaan, maar dat is misleidend. Ik heb omtrekkende bewegingen nodig om tot de kern te komen, ik ben bang voor het échte schrijven. Ik stoot op steeds diepere lagen. Het bezig zijn met je levensverhaal laat je nadenken over jezelf op een manier die je niet gewend bent; je bezoekt ruimtes in jezelf die kent, maar soms kom je ook in een doolhof waar je geen raad me weet. Ik weet veel van mezelf, maar er zijn altijd nog legen plekken, stukjes verhaal waarvoor ik wegloop, die verbonden zijn met schaamte en schuldgevoelens. In de cursus merk ik dat ook anderen hiermee kampen. Je deelt die gevoelens met elkaar, je herkent ze. En dat relativeert ook: we lijken op elkaar. Je weet dat je doodgaat en dat je niet meer dan een stip in het grote geheel bent en tegelijkertijd is je leven het belangrijkste dat er bestaat en is jouw verhaal uniek. In dit spanningsveld blijf je bezig. Door het voorlezen en bespreken van de teksten met mijn medecursisten, leer ik mijn eigen stijl kennen. En meer dan dat: door mijn verhalen ervaar ik erkenning. Het leren zien wie ik ben, is troostend. Maar ook nederigheid hoort erbij: ik leer mijn eigen normen te relativeren. Andere mensen schrijven heel anders, het is vaak prachtig, maar toch niet mijn stijl.. Ik leer het anders-zijn en het unieke van de andere te waarderen. De verhalen zijn het voertuig in dit proces. Ik vind het prettig om commentaar te krijgen van anderen op mijn verhalen, ook als het negatief is. Ik merk soms dat ik geen oog heb voor mijn valkuilen. Bij het verhaal over mijn tuin bijvoorbeeld, was voor mij verhelderend dat de groep na het voorlezen verzuchtte: er kwàm maar geen eind aan. Ik leerde erdoor dat ik niet almaar moet opsommen, maar dat ik voelbaar moet maken waar het om gaat. Schrappen en weglaten is voor mij heel belangrijk! Of een stukje dat door niemand werd begrepen: dat was een openbaring, want voor mij was het duidelijk. Ik leerde dardoor dat een lezer niet alle voorinformatie heeft. De reactie van de groep is soms voor de hand liggend, en het commentaar van de begeleidster daarna is diepgaander en fundamenteler: zij let op de structuur, helpt me de kern te zoeken, geeft herschrijfopdrachten. De mensen worden in de loop van de cursus ook vertrouwder. Ik ben steeds nieuwsgieriger naar de verhalen van de anderen, ik verheug me op het samenzijn. De cursus biedt houvast: het werken aan mijn verhaal is daardoor veel minder alleen. Aan het herschrijven kom ik bijna niet toe. Ik wil het wel, maar het komt er niet van. Als ik het wel doe, gaat de tekst er heel erg op vooruit. Soms denk ik dat het en angst in mij is, om de dingen af te maken, alsof het dan definitief is.’

Fasen in het schrijfproces: Aansluiten bij de motieven van de schrijvers

‘Ze had altijd al begrepen dat er alleen maar scherven zijn; dat “mijn herinneringen” altijd uit fragmenten bestaan, die door de hersens tot een bepaald patroon worden samengevoegd en aangepast aan en beeld dat al vroeg is ontstaan en dat geen verband hoeft te hebben met iets dat ook werkelijk is gebeurd (…) Toen bedacht ze dat datgene dat niet gebeurd was meer de waarheid kon zijn dan wat wel was gebeurd. Dat dat meer zeggingskracht had.’ In: Marianne Frederiksson: Anna, Hanna en Johanna. Vertaling: Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Geus, Breda, 1997

In schrijfgroepen worden de vier fasen van het schrijfproces vaak tijdens elke bijeenkomst doorlopen. Elke les wordt er een nieuwe impuls gegeven, geassocieerd, geschreven en becommentarieerd. Mar er zijn natuurlijk veel variaties mogelijk; afhankelijk van de motieven van de schrijvers kan het accent meer liggen op bijvoorbeeld het opdoen van ideeën om te schrijven, op het associëren als techniek, of op het geven van feedback op elkaars teksten. Er zijn groepen waarin tijdens de les weinig geschreven wordt om meer tijd te hebben voor het becommentariëren van verhalen en er zijn groepen, waar het accent ligt op het schrijven zelf. Je kunt dus op nog een heel andere manier kijken naar de fasering in het schrijfproces. Startpunt is dan de motivatie en de geoefendheid van de schrijvers. De fasen zijn dan meer van toepassing op het proces waarin mensen bezig zijn met het vormgeven van hun levensverhaal. Ze schrijven hun eigen verhalen, herschrijven en ordenen ze in het grotere mozaïek. Fasering verwijst naar beginnende, gevorderde, geoefende en zelfstandig werkende autobiografen. Wanneer mensen zich inschrijven voor een cursus autobiografisch schrijven, hebben ze soms in lange tijd niet geschreven. Ze zijn nieuwsgierig en herinneren zich hoe leuk het was om opstellen te schrijven. Ze willen weten hoe je dat moet doen, een thema kiezen, en er dan een verhaal over schrijven. Ze kennen de gereedschapskist van de taal nauwelijks. Gevorderde en geoefende schrijvers hebben vaak geen boodschap meer aan verkenningen en oriëntatie, zij willen zich technisch scholen en hebben behoefte aan gerichte feedback, zij werken naar een product toe. Je zou het schrijfproces dus ook als volgt kunnen weergeven:

De beginnende schrijver Voor beginnende schrijvers is het belangrijk, het schrijfproces in alle fasen te leren kennen. Ze beginnen aan de reis. Themaverkenning en oriëntatie is dan belangrijk: ontdekken, dat over álles kunt schrijven, dat er zoveel verschillende invalshoeken zijn van waaruit je kunt schrijven. Leren je gedachten, herinneringen, associaties in woorden om te zetten, er een vorm voor te vinden in de taal. Het ontdekken dat iedereen een eigen manier van schrijven heeft, en dat eigene als een groot goed te zien. Een keuze maken voor een bepaald genre, of voor een bepaalde manier van werken. In het begin vind ik het vooral belangrijk mensen te enthousiasmeren, het creatieve proces moet op gang komen. Schrijven is leuk, is verrassend, je ontdekt schrijvenderwijs van alles. Het houden van de taal wordt breder. Teksten schrijven, ze met elkaar delen en erop reageren, speelt zeker een rol in deze eerste fase, maar het kritisch becommentariëren van elkaars teksten op vorm en techniek heeft hier zeker gen accent. In het schrijven ligt nog minder het accent op de vorm, op het genre, op de techniek, het gaat er hier meer om het schrijven als een cyclisch proces te ervaren en te leren kennen. Leren associëren is vaak aan de orde, en ontdekken dat schrijven in rondes gebeurt, dat je eerst kladteksten moet maken, dat het niet meteen goed hoeft te zijn. Motieven van schrijvers kunnen zeer verschillend zijn: van ‘ách, schrijven is weer eens wat anders, ik volg elk jaar en andere cursus’ tot ‘ik wil graag mijn verhalen publiceren’. De hobbyist zit naast degene die technieken wil oefenen, de gezelligheidsschrijver naast degene die ‘het van zich af wil schrijven’.

De gevorderde schrijver In deze fase worden de eigen bronnen systematisch verkend en verdiept. De nadruk ligt op het associëren en het schrijven zelf: in de schrijfstroom zijn en blijven. Er is aandacht voor schrijfblokkades en de vraag hoe dar mee om te gaan komt aan de orde. De eigen stijl staat in het middelpunt van de belangstelling. Niet het ontdekken dat je een eigen wijze van schrijven hebt, maar het leren kennen van de eigen stijl: wat is mijn kracht en mijn zwakte in mijn schrijven. Wat zijn de kenmerken van mijn eigen stijl en hoe zou ik eraan willen werken. Dat betekent, dat in deze fase veel wordt geoefend en geëxperimenteerd met allerlei vorm-, stijl- en genre-oefeningen, en dat in het bespreken van de teksten de vraag naar de eigen stijl steeds weer terugkomt. Er is meer aandacht voor de vorm van het geschrevene, en er wordt systematischer geleerd op welke verschillende wijzen feedback kan worden gegeven, en hoe je in het feedback geven telkens weer moet differentiëren naar de motieven van de verschillende schrijvers. De centrale vraag is welk commentaar je graag wilt. Schrijvers leren eigen accenten leggen, eigen bronnen kennen en gebruiken en werken met de middelen die onze taal ter beschikking heeft. De technische vaardigheden van het schrijven staan in het middelpunt. Ook in deze fase zullen ambities van de schrijvers nog zeer uiteenlopend zijn, (Zie: José Franssen en Ardi Roelofs, Raamleerplan Literair schrijven, Stichting Lift -nu: Stichting Schrijven-, Amsterdam 1994, blz.16 en 18) maar er is een toespitsing naar het werken aan de eigen schrijfstijl en het experimenteren met techniek. Puur recreatieve schrijvers zullen veelal niet meedoen.

De geoefende schrijver Schrijvers in de derde fase zijn geoefend. Zij weten hoe ze hun onderwerpen kunnen vinden, ze kennen hun eigen stijl en zijn meer bezig het schrijven als een ambacht onder de knie te krijgen. Ze weten inmiddels dat het schrijven vaak een lange adem vraagt en meer nog: veel discipline. De gereedschapskist wordt keer op keer doorgenomen, om het gebruik van alle middelen goed te leren kennen, schrijftechnieken worden geoefend en uitgebreid. Er wordt ook veel gelezen in bestaande autobiografieën, om op die manier nog meer te leren over hoe anderen bepaalde problemen hebben aangepakt en opgelost. De nadruk komt meer en meer te liggen op het geven van commentaar op elkaars teksten en op het herschrijven van de verhalen en gedichten in verschillende rondes. Er wordt naar een product toegewerkt. Plezier hebben in het schrijven blijft een aandachtspunt, maar het geploeter om teksten heel en af te krijgen, staat op de voorgrond. In deze fase ligt de motivatie van de schrijvers vooral in het verder willen ontwikkelen van de eigen schrijfstijl. Technische verdieping speelt een grote rol en sommigen hebben professionele ambities.

De zelfstandige schrijver Tenslotte staat in het schrijfproces vooral de feedback en het herschrijven van teksten centraal. Schrijvers werken veelal in kleine groepjes met elkaar en de rol van de docent wordt vooral die van een individuele begeleider. Het product, de tekst, stat nu centraal, en niet meer het proces. Specialistische schrijfoefeningen vergroten het arsenaal van de schrijver nog steeds, maar de nadruk ligt op de zelfwerkzaamheid van de schrijvers. Het leren van en met elkaar, vindt plaats in een ‘werkplaats’ en sommigen zetten stappen richting publicatie. Men kan besluiten een professionele aanpak te gaan volgen, of individuele begeleiding te zoeken bij het eigen schrijven.

Paul van de Boel: Voor Paul is het schrijven van een verhaal vergelijkbaar met het maken van een schilderij of het boetseren van een figuur. Schrijven is een kunstuiting: het uitdrukken van gevoelens die door anderen kunnen worden waargenomen. Na het afscheid van zijn bedrijf, een fabriek waar dakpannen werden gemaakt, wilde hij de geschiedenis daarvan optekenen. Hij was de laatste directeur van het ambachtelijk werkend familiebedrijf. Het archief, dozen vol oude akten, tekeningen van persen, onroerendgoed transacties en familiepapieren (vanaf 1740), had hij als bronnenmateriaal. Hij meldde zich aan voor een cursus levensverhalen schrijven. Tot dat moment schreef hij veel verslagen, notities en beleidsstukken, maar geen verhalen. In de cursus leerde hij herinneringen op te halen waarvan hij niet meer wist dat ze er waren. Hij schreef verhalen over voorbije tijden alsof hij erbij was. De basis daarvoor waren de historische stukken en zijn enorme betrokkenheid. Hij wist het verhaal; zó moet het zijn gegaan, dacht hij vaak, als een historicus. Als hij feiten vond die niet klopten, veranderde hij het verhaal. Het was puzzelwerk. In de cursus leerde hij veel over de ambachtelijke kant van het schrijven, de techniek. Maar hij dacht ook na over de grenzen van de taak die hij zich had gesteld: wat schrijf je wel en wat niet? Hij wilde niet shockeren. Hij kwam erachter dat de levensgeschiedenis van de pannenfabriek en de familiegeschiedenis verstrengeld waren en allengs schreef hij niet alleen over het bedrijf, maar ook over zijn vader en over persoonlijke herinneringen. Zijn eigen persoon kreeg meer ruimte, hoewel hij er nog steeds van genoot verhalen te schrijven vanuit wat hij noemt een ‘balkonmentaliteit’: als toeschouwer. Al zijn verhalen, het zijn er nu zo’n vijftig, zitten in de computer. Soms leest hij er een paar voor, als hij ergens een speech moet houden, en hij heeft plannen voor een eindproduct. Hij wil het archief van de pannenfabriek, de bijzondere stukken daaruit, presenteren en ter afwisseling zijn verhalen toevoegen. Of, en dat is een tweede mogelijkheid: de verhalen vormen de rode draad, en deze worden gelardeerd en geïllustreerd met de archiefstukken. Het moet een bundel worden. Maar eerst wil hij alles nog eens overdoen: bij het kritisch herlezen van de verhalen, vindt hij ze vaak niet meer goed genoeg. Hij wil betere woorden vinden en wat minder compact schrijven, er dingen uit laten en andere toevoegen. En hij wil nog meer leren over hoe je verhalen toegankelijk en boeiend kunt maken voor anderen.

Het schrijfproces In dit artikel heb ik geprobeerd het schrijfproces vanuit twee verschillende invalshoeken te benaderen. Enerzijds heb ik het voorgesteld als een proces dat zich telkens weer voordoet bij het produceren van een afzonderlijke tekst of verhaal: elke herinnering, elk fragment uit het levensverhaal wordt opgediept, bekeken gewogen en beschreven. Aan de verhaalfragmenten die we lezen in boeken, zien we niets van hun totstandkoming, stap voor stap. Anderzijds heb ik het schrijfproces voorgesteld als een ontwikkelingsgang: de verschillende fasen, die de schrijver in een schrijfgroep doorloopt op weg naar een mogelijk eindproduct, de gang van de schrijver die begint met het noteren van herinneringen, naar diegene die het verhaal als product wil presenteren. Schrijvers hebben veel motieven om hun eigen verhalen op te schrijven, en niet iedereen maakt dezelfde ontwikkelingsgang door. Terwijl de een schrijft om meer te leren over de techniek van het schrijven, wil de ander de rode draad in het eigen levensverhaal ontdekken en een volgende is vooral bezig de verhalen voor het nageslacht te behouden. Het levensverhaal kan worden gezien als boodschap vàn de auteur, óver de auteur, vóór de auteur, of als een boodschap áán anderen: elk verhaal heeft verschillende dimensies, die er zowel door de schrijver, als later door de lezer in aangebracht worden. Het verhaal kan in één vloeiende energiestroom tot stand zijn gekomen, maar het verhaal kan ook in brokstukken, verspreid in de tijd zijn geschreven. Het verhaal kan tot een verhaal met een begin en einde worden gecomponeerd, maar het kan ook zijn, dat de scherven verspreid blijven liggen, zonder dat geprobeerd is er een geheel van te maken.

Je kunt het schrijfproces ook vanuit andere invalshoeken benaderen. Is het een creatief proces, waarin het ontstaan van een tekst in taal centraal staat? Is het een therapeutisch proces, waarin het verwerken van de gebeurtenissen uit het voorbije leven de kern vormt? Een leerproces waarin het leren kennen van de middelen die onze taal kent hoofdzaak is? Of gaat het om een spiritueel proces waarin de vraag naar de zin van het leven het middelpunt vormt? Of is het dit allemaal tegelijk? De processen buitelen over elkaar heen, grijpen in elkaar, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De conclusie zou moeten zijn, dat hèt schrijfproces niet bestaat, er is niet zoiets als één schrijfproces. Er zijn zoveel schrijfprocessen als er schrijvers zijn.

José Franssen (27-9-2014: Dit is een licht gewijzigde versie van een artikel dat ik schreef voor het boek Fascinaties. Over starten, schrijven, herschrijven. Het boek werd samengesteld door Aly Freije, Jos van Hest, Soumya Koning en Pieter Quelle en verscheen bij Stichting Schrijven, Amsterdam, 1998. Voor dit Snipperbericht heb ik mijn originele versie nog eens vergeleken met de geredigeerde versie en de tekst hier en daar een beetje bijgewerkt.)