Snipperbericht 38

Twee stapels boeken

De ene stapel: mijn eigen boek is aangekomen Zeg nou zelf, daar kan ik toch wel dit bericht mee beginnen, met Hou me maar vast. Mijn moeder, Alzheimer en ik. Zo autobiografisch als het maar kan. Ik reageer er steeds weer anders op, op mijn eigen verhaal. Op foto's zie je hoe ik blij en trots het boek laat zien. Kijk eens, hoe mooi het geworden is. Het is er. Lees het allemaal. Mijn woorden gaan de wereld in. Op een van de foto's haal ik net de doos van mijn hoofd. Dat is ook een reactie: ik verstop me maar in de dozen, zittend in de ene, een andere over mijn hoofd, want o, wat komt er op me af? Allerlei twijfels zijn bij me deze dagen. Het is wel een erg bloot verhaal dat ik vertel. Zeker, ik sta ervoor, ik wilde niet alleen de voorkant, maar ook de achterkant van het verhaal van twaalf jaar zorgen vertellen. Zal mijn verhaal gehoord en gezien worden? Zal het een bijdrage gaan leveren aan de zorg voor mensen met dementie?

We hebben er alles aan gedaan wat we konden, uitgeefster Monica Boschman en ik. Ik heb gewerkt tot de griep me te pakken had… Nu knap ik op en ik leef toe naar de presentaties. Spannende tijden. Als je belangstelling hebt: lees hier de voorpublicatie. En hier speciaal voor jullie een paar citaten die te maken hebben met het schrijven zelf. Mijn moeder wist dat ik een boek over ons zou maken:

Ik besluit van het zorgen voor jou een ‘project’ te maken, een nieuw stuk uitdagend werk waarvan ik veel kan leren. Ik lees alles wat ik kan vinden over jouw ziekte. Ik volg een cursus. Ik ga naar lezingen en informatiebijeenkomsten. Ik word bij het Steunpunt Mantelzorg lid van een groep mensen die allemaal zorgen voor iemand met dementie. Kortom: ik besluit niet alleen om elke week bij je te zijn, ik besluit ook er iets moois van te maken. Voor jou, zodat ik je kan ondersteunen in het zoveel mogelijk overeind houden van jouw dagelijks leven. Voor mijzelf, omdat ik je beter zal leren kennen en er zelf iets aan kan hebben voor later. (...) Als ik je vraag of ik een boek over ons mag schrijven en mag vertellen over onze ervaringen samen, blaas je ergens in de lucht met die blik van je. ‘Pffftt!’ zeg je. Jij weet al zo lang je me kent dat ik moet schrijven, dus ik moet mijn gang maar gaan. () Benen en billen maak ik schoon. Terwijl jij gebukt staat en ik jouw achterste sta te wassen, bedenkend dat ik geboren ben uit jou, zeg je met ergens nog een vleugje humor: ‘Zo heb je er wel weer een verhaal bij!’ Als het niet zo verdrietig was, zou ik erom lachen. Niet dat ik het moeilijk vind om jou te wassen en je in schone kleren te steken, nee, ik kan het hele gebeuren gelaten aanvaarden als een volgende stap in het proces van de ziekte van Alzheimer. Wat me zo raakt, is het besef van schaamte, jij realiseert je dat je de beheersing over je lichaamsfuncties verliest. () ‘Schrijf je aan je boek? Is het al bijna klaar?’‘Zo gauw gaat dat niet,’ zeg ik, ‘het is heel wat meer werk, dit zijn nog maar aantekeningen.’ Dat begrijp je. ‘Als mijn boek over jou klaar is,’ zeg ik, ‘wil je het dan mee presenteren?’‘Jazeker,’ zeg je. ‘Dan ben ik erbij!’‘Goed zo,’ zeg ik. Het idee maakt ons allebei blij. In: José Franssen: Hou me maar vast. Mijn moeder, Alzheimer en ik. MB Communicatie, Gassel, 2016, blz. 26, 250 en 292

De andere stapel: verkruimelde familie redden van naamloos verleden Ik las veel in de voorbije maanden. De stapel boeken met Snipperberichtcitaten groeide en groeide. Práchtig en fascinerend vond ik Misschien Esther van Katja Petrowskaja. De schrijfster ‘probeert haar verkruimelde familie te redden van een naamloos verleden, ze schraapt via gesprekken, archiefonderzoek en reizen stukjes en beetjes bijeen van wat ook háár geschiedenis is. Ze probeert er een samenhangend geheel van te maken’ staat op de achterflap. Hoe over zoveel dramatische gebeurtenissen in de geschiedenis en in mensenlevens leesbaar, mooi, spannend en ontroerend verteld wordt. Dicht, compact, zinnen om hardop te lezen en te proeven. Een boek om te lezen en herlezen, het gaat niet alleen over toen, het gaat ook over nu.

Als de perestrojka, als mijn reis naar Polen, als mijn lp er niet waren geweest, was het vergrendelde raam van haar vroege kinderjaren nooit meer voor ons opengegaan, en ik had nooit kunnen begrijpen dat mijn baboesjka uit een Warschau afkomstig was dat niet meer bestaat, dat wij daarvandaan komen, of ik wil of niet, uit die verloren wereld, die mijn grootmoeder zich, al van ons heengaand, zich verwijderend, bij de laatste scheidslijn, op de rand, herinnerde. Als was hij bij het zich herinneren betrapt, rekte de tijd zich uit en deed een greep naar Rosa, door de lp bereikte hij mij en wekte hij Rosa’s herinneringen, die naar het leek volledig verstomd en bedolven waren, zoals ook dat wat ooit haar moedertaal was geweest, die wij en zelfs zijzelf vergeten was. Sinds die liederen, die mijn baboesjka meezong, vreemd en onhandig op haar stoel meehuppend – een beweging die ik nooit eerder bij haar gezien had -, denk ik over de eindeloze varianten van ons lot na, voortdurend, die in heel andere liedjes hadden kunnen opklinken. Katja Petrowskaja i: Misschien Esther. Vertaald uit het Duits door W. Hansen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2015, blz. 64

Wat ik bedenk is ook waar Ook Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt is een boek om meerdere keren te lezen. Alsof je lezend mediteert. Je gaat vanzelf nadenken over het leven, over toevallige ontmoetingen met mensen die later belangrijk geweest blijken te zijn. Iemand aankijken, een blik vangen, iemand kussen, en de rest van je leven leef je met de herinnering aan dat moment. Er staan prachtige zinnen in. En ook bij het opnieuw lezen denk je na over de vraag: wat is belangrijker: de werkelijkheid, de waarheid, de herinnering aan de werkelijkheid, de werkelijkheid zoals we die zelf vormgegeven hebben?

We verzonnen vaak dromen die we elkaar opstuurden, maar in die dromen werd de werkelijkheid behandeld, letterlijk, want die zetten we naar onze hand. Mijn echte dromen niet want die zetten mij naar hun hand. Het gaat niet om de werkelijkheid, maar om de waarheid. Misschien woorden die te vrijblijvend zijn, niet zo veel zeggen als het lijkt, maar we kwamen er een heel eind mee, in onze gedachten, in onze gesprekken, in onze boeken. Wat we bedenken – wat ik bedenk is ook waar, want het is bedacht. Als ik iemand vertel wat ik heb meegemaakt, weet ik vaak niet wat ik heb verzonnen en wat is gebeurd, maar wat ik heb verzonnen, is natuurlijk ook gebeurd. () Het gebeurt dat je getroffen wordt door een blik, dat iemand je even aanraakt, terloops – per ongeluk, lijkt het, dat je getroffen wordt door een glimlach of een oogopslag, maar je beseft nauwelijks dat dat gebeurt. Later wél: je bent thuis en je denkt aan de uren daarvoor, de bewegingen die je maakte, de gang van zaken waaraan je deelnam, en ineens, je kijkt naar buiten, je ziet het avond worden, je ziet de zon zakken, je ruikt de geur van de avond en van alles wat voorbijgaat, ineens denk je aan een oogopslag of een glimlach of een aanraking, een terloopse aanraking. Die momenten blijven je bij. En bij die momenten horen mensen die je waarschijnlijk nooit meer ziet en als dat wel gebeurt, kun je geen woord zeggen over die glimlach of oogopslag of terloopse aanraking, want wat valt erover te zeggen?Thoman Verbogt in: Als de winter voorbij is. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2015, blz. 64 en 192

Je nooit meer te zien Nou dan nog maar een boek noemen dat ik opnieuw wil lezen omdat het me zo boeide. Ik heb het helemaal volgeplakt met stripjes. Het heet Het absurde idee je nooit meer te zien en het is geschreven door Rosa Montero. Ik ken Rosa Montero niet, ze is een bekende Spaanse schrijfster en ze schreef dit boek na de dood van haar man. Het is een boek met veel lagen. Ze vertelt het bijzondere levensverhaal van Marie Curie, vanuit het dagboek dat Marie Curie bijhield na de plotselinge dood van haar man Pierre in 1906. Rosa Montero spiegelt haar eigen verhaal aan dat van Marie Curie, al vertelt ze over zichzelf en haar eigen geschiedenis weinig. Ze vertelt vooral haar eigen overpeinzingen, gedachtenflarden, herinneringen en zingevingsvragen. Er staan prachtige passages in het boek over omgaan met pijn en verlies en over de kracht van literatuur en schrijven, over waarheid en fictie. Ik herkende er veel in, alsof er een directe lijn was naar mijn boek over mijn moeder. Ook ik heb erg geworsteld met de vraag: wat vertel ik en wat vertel ik niet. Een basisvraag voor mensen die over hun eigen leven schrijven.

… Als je geen goede balans kunt vinden tussen feit en fictie kan dat dus rampzalige gevolgen hebben. Het is niet eenvoudig om te weten waar je moet stoppen, wat je wel en niet kunt vertellen, hoe je om moet gaan met het altijd radioactieve materiaal van de werkelijkheid. Voor mij is het evident dat goede fictie altijd universaliteit nastreeft en inzicht probeert te geven in wat het is om mens te zijn. Dat wil zeggen: de schrijver die schrijft om over zijn eigen leven te vertellen, om zich daarover te verkneukelen en om zichzelf op te hemelen of wraak te nemen, zal ongetwijfeld een vreselijke tekst produceren. Het gaat dus om afstand, zodat je in staat bent je eigen leven te analyseren alsof je het hebt over dat van iemand anders. En wat is het zelfs in dat geval moeilijk! Ik zal je bekennen dat ik uit de allereerste versie van dit boek twee passages heb geschrapt, twee fragmenten die over Pablo gingen. Ik heb mezelf dus gecensureerd. Er is hier sprake van een onoplosbaar conflict, want enerzijds gaan deze twee passages over anderen. Over het verdriet van ons allemaal. Op de een of andere manier is de verteller een medium: zijn of haar woorden drukken uit wat velen denken en voelen. En als je schrijft, voel je de verplichting, de dwang om voor of met anderen te praten, en de twee passages die ik heb geschrapt waren niet alleen van mij. Maar anderzijds waren ze wel in de eerste plaats van mij en van Pablo. En ik kan de cocon van volmaakte en stille intimiteit tussen hem en mij niet openbreken. Je weet dat ik vrij wil zijn wanneer ik schrijf, volledig vrij. Ik wil vliegen, ik wil een perfecte toestand van gewichtloosheid bereiken. Maar er zijn diepe persoonlijke banden waar ik geen afstand van wens of weet te doen. Ik ben een luchtballon die een klein stukje boven de grond schommelt en waarvan de mand nog met een touw aan de aarde vastzit. Rosa Montero in: Het absurde idee je nooit meer te zien. Vertaald uit het Spaans door Hendrik Hutter. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015, blz. 184-185

Waarheden zijn als schepen Henning Mankell overleed in het voorbije najaar. In zijn laatste boek schreef hij overpeinzingen over het leven, zijn eigen leven (ook herinneringen), levensvreugde, leven met de wetenschap van de eindigheid van dat leven. Mankell heeft prachtige boeken geschreven, Dit laatste vond ik een beetje rommelig, maar toch bij vlagen heel boeiend. Afscheid nemen is misschien ook wel wat rommelig.

In mijn wereld zijn waarheden altijd van voorlopige aard. Mijn kijk op de dingen is in de loop van mijn leven niet altijd hetzelfde gebleven. Waarheden zijn als schepen die op zee varen. Je moet ze in de juiste richting sturen. Je moet ze veilig langs klippen en zandbanken zien te loodsen. Hun snelheid aanpassen en eventueel extra zeil bijzetten. Een schip dat terugkeert van een reis, is een ander schip dan toen het vertrok. Zo maakt ook de waarheid een rondreis door mijn hoofd en door mijn leven. Als ik wil dat deze waarheden overleven, dan moet ik ze soms ter discussie stellen en wellicht aanpassen. Henning Mankell in: Drijfzand. De bestsellerauteur over leven en dood. Vertaald uit het Zweeds door Ceciel Verheij. De Geus, Breda, 2015, blz. 237

Voor mij was mijn moeder een geur Tenslotte nog een roman, die ik met veel genoegen gelezen heb: De vlamberken van Lars Mytting. Het is een verhaal vol verhalen. Eén van die verhalen is de zoektocht van een man naar zijn herinneringen aan zijn ouders die heel vroeg stierven. Het gaat over zijn leven op de boerderij bij zijn grootouders bij wie hij opgroeit, het gaat over heel kostbaar hout met een eigen geschiedenis, het gaat over een meestermeubelmaker en het gaat ook over de liefde. Ik kon het boek niet wegleggen. Er staan mooie passages in over herinneren en over het zoeken naar herinneringen.

Voor mij was mijn moeder een geur. Mijn moeder was warmte. Ze was een been waaraan ik me vastklampte. Een glimp van iets blauws; een jurk die ze in mijn herinnering had gedragen. ik zei tegen mezelf dat ze me vanaf een boogpees het leven in geschoten had, en toen ik me herinneringen over haar vormde, wist ik niet of ze juist of waar waren, ik maakte haar gewoon zo als ik dacht dat een zoon zich zijn moeder hoorde te herinneren. Lars Mytting in: De vlamberken. Vertaald uit het Noors door Paula Stevens. Atlas Contact, Amsterdam, 2015, blz. 9

Tot zover mijn tweede boekenstapel. Ik hoop dat je er iets in vindt.

José Franssen (22-3-2016)